ECLI:NL:PHR:2012:BR6345
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het tijdstip en de waardering van regresvorderingen bij borgstelling in de terbeschikkingstellingsregeling
Belanghebbende stelde zich borg voor een lening van een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang had en leed verlies op de regresvordering die hij op die vennootschap had na betaling van de borg. De vraag was wanneer deze regresvordering in de terbeschikkingstellingsregeling moet worden opgenomen en gewaardeerd.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de regresvordering pas ontstaat bij daadwerkelijke aanwending van vermogensbestanddelen, dus bij betaling door de borg. De waarde van de regresvordering moet op de balans worden opgenomen tegen de waarde in het economische verkeer, rekening houdend met de kans op verhaal en de solvabiliteit van de vennootschap.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de regresvordering al bij het aangaan van de borgtocht ontstaat en dat waardering en verliesneming ook vanaf dat moment mogelijk moeten zijn. De Hoge Raad bevestigt echter de lijn dat de regresvordering pas ontstaat bij betaling door de borg en dat de terbeschikkingstellingsregeling vanaf dat moment van toepassing is. Dit oordeel sluit aan bij de wetsgeschiedenis, civielrechtelijke jurisprudentie en fiscale beleidsregels.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard, waarmee het oordeel van het Hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de regresvordering uit borgstelling pas ontstaat bij betaling door de borg en dat verliesneming in de terbeschikkingstellingsregeling vanaf dat moment mogelijk is.