ECLI:NL:HR:2010:BF2227
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Aanvang terbeschikkingstellingsregeling bij gezamenlijke aanschaf onroerende zaak voor gebruik door gelieerde vennootschap
Belanghebbende en haar echtgenoot kochten gezamenlijk een pand met de bedoeling dit na verbouwing te verhuren aan een gelieerde BV. De verbouwing liep vertraging op door vergunningproblemen, waardoor het pand in het betreffende jaar niet door de BV werd gebruikt en er geen vergoeding werd betaald.
De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op die na bezwaar werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat het pand vanaf de aanschaf tot het ondernemingsvermogen behoorde, ook al was het nog niet bedrijfsklaar.
De Hoge Raad stelt dat de wetgever met artikel 3.92 Wet IB 2001 beoogde een gelijke fiscale behandeling te realiseren tussen ondernemers die een vermogensbestanddeel voor hun onderneming aanschaffen en aanmerkelijkbelanghouders die een vermogensbestanddeel aan hun vennootschap ter beschikking stellen. Daarom geldt de terbeschikkingstellingsregeling vanaf het moment van aanschaf indien het pand met de gezamenlijke bedoeling is aangekocht om het aan de vennootschap ter beschikking te stellen, ook als het nog niet in gebruik is genomen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Dit arrest verduidelijkt de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling en benadrukt dat het begrip 'ter beschikking stellen' niet beperkt is tot het moment van feitelijk gebruik, maar ook de gezamenlijke bedoeling en omstandigheden van aanschaf en gereedmaking omvat.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling.