ECLI:NL:GHARN:2012:BX0552
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- R.A.V. Boxem
- J. van de Merwe
- J.B.H. Röben
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar en proceskostenvergoeding Wet WOZ
Belanghebbende diende een verzoek in op grond van artikel 26 Wet Pro WOZ om een nieuwe waardebeschikking voor een onroerende zaak. Het bezwaar werd door de ambtenaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar prematuur was ingediend, voordat de beschikking was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze beslissingen.
Het hof oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was omdat de waarde op het moment van bezwaar nog niet was vastgesteld. De stelling van belanghebbende dat de waarde gelijk zou zijn aan de eerder vastgestelde waarde op grond van artikel 22 Wet Pro WOZ werd verworpen, mede op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad. Wel erkende het hof dat belanghebbende kosten had gemaakt om zich tegen een onrechtmatige waardebepaling te verzetten.
De ambtenaar had namelijk de waarde in de beschikking op grond van artikel 22 Wet Pro WOZ bijna 20% te hoog vastgesteld, terwijl alle relevante feiten toen al bekend waren. Dit werd als een aan de ambtenaar toe te rekenen onrechtmatigheid beschouwd. Daarom werd de ambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs had gemaakt, waaronder kosten voor het opstellen van een taxatierapport en griffierechten.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de beslissing op bezwaar werden vernietigd voor zover geen kostenvergoeding was toegekend, en de ambtenaar werd veroordeeld tot betaling van € 2.352,70 aan proceskosten. Tevens werd de gemeente Epe gelast de griffierechten te vergoeden.
Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere uitspraken en veroordeelt de ambtenaar tot vergoeding van de proceskosten wegens onrechtmatige waardebepaling.