ECLI:NL:GHARN:2012:BY5426
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid heffingsrente bij voorlopige aanslag vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een schoonmaakbedrijf opgericht in 2008, kreeg een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd met daarbij heffingsrente. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de heffing van de rente.
Het geschil betrof de rechtmatigheid van de heffingsrente, waarbij belanghebbende stelde dat de rente onredelijk was vanwege de complexe financiële situatie van het overgenomen bedrijf en vermeend traag handelen van de Belastingdienst. Tevens voerde zij aan dat tijdig een verzoek tot voorlopige aanslag was gedaan.
Het hof oordeelde dat de berekening van de heffingsrente niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat geen sprake was van onzorgvuldig handelen door de Inspecteur. Ook werd vastgesteld dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het verzoek tot voorlopige aanslag tijdig was ontvangen door de Inspecteur.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De heffingsrente is terecht in rekening gebracht.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de heffingsrente terecht is opgelegd en verklaart het hoger beroep ongegrond.