ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1430
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging fiscale waardering pensioenverplichting en toepassing rekenrente in hoger beroep
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de fiscale waardering van een pensioenverplichting centraal die A BV ten behoeve van haar dga had gevormd en aan belanghebbende, een stichting, had overgedragen. De Inspecteur had de pensioenverplichting ultimo 2007 vastgesteld op €560.907, waarbij een rekenrente van 4% werd gehanteerd en geen rekening werd gehouden met leeftijdsterugstellingen. Belanghebbende betwistte deze waardering en stelde dat de grondslagen van de koopsom, waaronder een lagere rekenrente en leeftijdsterugstellingen, toegepast moesten worden.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en het Hof bevestigt dit oordeel. Het Hof overweegt dat artikel 3.29 Wet IB 2001 een minimale rekenrente van 4% voorschrijft en dat artikel 8, zesde lid, Wet Vpb het gebruik van leeftijdsterugstellingen beperkt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het Besluit van 3 juli 2008 faalt eveneens, omdat de specifieke fiscale regels voor pensioenlichamen en verzekeraars verschillen en de door belanghebbende aangevoerde feiten onvoldoende zijn om de Inspecteur te weerleggen.
De uitspraak bevestigt dat de Inspecteur de pensioenverplichting terecht heeft gewaardeerd en dat de aanslag en heffingsrente correct zijn vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de fiscale waardering van de pensioenverplichting met een rekenrente van 4% en zonder leeftijdsterugstellingen.