ECLI:NL:HR:2000:AA6313
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Waardering pensioenverplichtingen en rekenrente bij vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een directiepensioenfonds, werd in 1992 voor het eerst belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. De kern van het geschil betrof de waardering van pensioenverplichtingen per 1 januari en 31 december 1992, waarbij verschillende rekenrentes werden gehanteerd: 7,5% respectievelijk 4%. Het Hof oordeelde dat toepassing van 7,5% per 1 januari was toegestaan, maar dat 4% per 31 december niet strookte met goed koopmansgebruik.
De Hoge Raad bevestigde dat pensioen- en lijfrenteverplichtingen op de winstbepalende balans gewaardeerd moeten worden tegen de marktrente voor langlopende leningen op het moment van het aangaan van de verplichtingen. Een waardering tegen een lagere rente dan de marktrente is niet toegestaan, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Het nemen van een verlies vóór het daadwerkelijk ontstaan daarvan is in strijd met goed koopmansgebruik.
De Hoge Raad verwees het geschil terug naar het Hof voor herbeoordeling met inachtneming van deze jurisprudentie en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van consistentie in de waardering van pensioenverplichtingen en bevestigt de toepassing van de marktrente als uitgangspunt voor de fiscale winstbepaling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming dat pensioenverplichtingen op de fiscale balans tegen marktrente moeten worden gewaardeerd.