ECLI:NL:HR:2004:AI0416
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waardering stamrechtverplichting tegen marktrente in vennootschapsbelasting
In deze zaak is aan belanghebbende voor het jaar 1996 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, welke na bezwaar en beroep door het Gerechtshof Arnhem is verminderd op basis van een waardering van de stamrechtverplichting tegen de marktrente van dat jaar (5%).
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de stamrechtverplichting anders moest worden gewaardeerd, namelijk volgens de methode die tot 1996 werd gevolgd met een rekenrente van 7%. Belanghebbende had ook een subsidiaire waardering op basis van een marktrente van 5% voorgesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat de stamrechtverplichting niet als een rentedragende schuld moet worden gezien, maar dat de rente een functie heeft voor de waardebepaling van de langlopende verplichting. De waardering tegen de marktrente is in overeenstemming met eerdere arresten en goed koopmansgebruik. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de waardering van de stamrechtverplichting tegen de marktrente per 31 december 1996 bevestigd.