ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1432
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep vennootschapsbelasting over pensioenvoorziening en aftrekbeperkingen
Belanghebbende, een BV, kende haar dga pensioenrechten toe en vormde daartoe een pensioenvoorziening in eigen beheer. Deze pensioenverplichting werd in 2006 overgedragen aan een stichting tegen een eenmalige koopsom. De Inspecteur corrigeerde de aftrek van de overnamevergoeding vanwege een ten onrechte gehanteerde na-indexatie en een verschil in rekenrente.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende geen recht had op aftrek van de na-indexatie omdat de schuld pas na de wettelijke termijn was voldaan, maar ging uit van een onjuiste rechtsopvatting over de toepassing van een rekenrente van minimaal vier procent bij de koopsom.
Het Hof bevestigt dat artikel 3.26 Wet IB 2001 ook na overdracht van pensioenverplichtingen aan derden van toepassing blijft, tenzij de uitzondering van artikel 3.27 van toepassing is. Omdat belanghebbende de schuld pas na de termijn betaalde, is aftrek van de na-indexatie terecht gecorrigeerd. Echter, de correctie wegens het verschil tussen de gehanteerde rekenrente van 3,74% en vier procent is onterecht. Het Hof vermindert daarom de aanslag en heffingsrente, veroordeelt de Inspecteur in proceskosten en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De aanslag vennootschapsbelasting wordt verminderd tot een belastbaar bedrag van €90.874 en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.