ECLI:NL:HR:2010:BM9257
Hoge Raad
- Cassatie
- C.B. Bavinck
- P. Lourens
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Onbelastbaarheid van na-indexatie bij overname pensioenverplichting in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap die pensioenverplichtingen voor haar directeuren in eigen beheer hield, heeft deze verplichtingen per 1 januari 2004 overgedragen aan twee holdingmaatschappijen. Bij de bepaling van de overnamevergoeding werd rekening gehouden met een na-indexatie van 2 procent. De vraag was of het deel van de overnamevergoeding dat verband hield met deze na-indexatie, de zogenaamde indexatielast, ten laste van de winst over 2004 kon worden gebracht.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat artikel 3.26 lid 1 van de Wet IB 2001 bepaalt dat kosten die verband houden met na-indexatie buiten aanmerking blijven bij de winstbepaling. De uitzondering in artikel 3.27, die deze kosten wel toelaat, was niet van toepassing omdat de holdingmaatschappijen niet de in dat artikel bedoelde lichamen zijn.
In cassatie bevestigde de Hoge Raad deze uitleg. De Hoge Raad stelde vast dat artikel 3.26 lid 1 Wet IB 2001 ook na overname van pensioenverplichtingen door derden van toepassing blijft, tenzij de uitzondering van artikel 3.27 geldt. Omdat deze uitzondering niet van toepassing was, bleef de indexatielast buiten de winstbepaling. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de indexatielast blijft buiten de winstbepaling.