ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2178
Gerechtshof Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- U.E. Tromp
- J.T. Sanders
- W.M.G. Visser
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs en passendheid boeten bij navorderingsaanslagen buitenlandse bankrekeningen
Belanghebbende, houder van rekeningen bij KBL, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen voor de jaren 1990 tot en met 1999 wegens het niet aangeven van buitenlandse inkomsten. Na eerdere procedures en een verwijzing door de Hoge Raad, beoordeelde het Gerechtshof Den Haag of de Inspecteur voldoende bewijs had geleverd dat belanghebbende opzettelijk inkomsten had verzwegen.
Het Hof concludeerde dat belanghebbende inderdaad rekeningen met aanzienlijke tegoeden bij KBL aanhield en bewust had gekozen voor een bank in een land met bankgeheim om inkomsten te verbergen. De Inspecteur had voldoende bewijs geleverd dat de vrijstellingen werden overschreden en dat de niet aangegeven inkomsten opzettelijk waren verzwegen.
Vervolgens beoordeelde het Hof de hoogte van de boeten en stelde deze vast op 64% van de nagevorderde belasting en premie, rekening houdend met proportionaliteit en normhandhaving. Verzoeken van belanghebbende tot verdere vermindering of schadevergoeding wegens termijnoverschrijding werden afgewezen.
De uitspraak bevestigt de bewijslast van de Inspecteur bij navorderingsaanslagen en benadrukt het belang van passende sancties bij belastingontduiking via buitenlandse rekeningen.
Uitkomst: De boeten worden passend vastgesteld op 64% van de nagevorderde belastingbedragen voor de jaren 1990 tot en met 1999.