Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 30 september 2014
[naam 1],
[naam 2],
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak gaat het om de vraag of bepaalde ruimtes binnen een appartementsrechtelijk gebouw, waaronder de ruimte boven de waterkamer, de loopbruggen en de voortuinen achter een muur, als gemeenschappelijke gedeelten of als privégedeelten moeten worden aangemerkt. De appartementseigenaren hadden de besluiten van de VvE die deze ruimtes als gemeenschappelijk bestempelden aangevochten.
De Hoge Raad vernietigde eerdere beslissingen van het hof Amsterdam en verwees de zaak terug met een nadere uitleg van de maatstaf voor de uitleg van splitsingsstukken. Het hof Den Haag heeft vervolgens de splitsingsakte, de splitsingstekening en het modelreglement in samenhang beoordeeld.
Het hof concludeert dat de splitsingstekening weinig details bevat en niet doorslaggevend is. De tekst van de splitsingsakte en het modelreglement wijzen op meerdere gemeenschappelijke ruimten en vluchtwegen, wat strookt met de kwalificatie van de betwiste ruimtes als gemeenschappelijk. De ruimte boven de waterkamer is niet bestemd voor afzonderlijk gebruik, waardoor deze als gemeenschappelijk gedeelte moet worden beschouwd.
Het hof bekrachtigt de eerdere afwijzing van de vorderingen van de appartementseigenaren en veroordeelt hen in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de eerdere afwijzing en kwalificeert de betwiste ruimtes als gemeenschappelijke gedeelten.