Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest, na verwijzing door de Hoge Raad,
Het geding na verwijzing
De verdere beoordeling van het hoger beroep
inleiding
geengrief is aangevoerd tegen de vaststelling door de rechtbank dat sprake is van effecten, waardoor bedoelde vraag in hoger beroep niet meer aan de orde is. Gewezen wordt op overweging 4.4.1. van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, inhoudende: ‘Met de rechtbank is het hof van oordeel – tegen dit oordeel is overigens ook geen grief gericht – dat de door [betrokkene 1] uitgegeven schuldbekentenissen effecten zijn in de zin van de [..] (Wte).’ De juistheid van die overweging (waarnaar in het arrest van de Hoge Raad onder 3.3.3 wordt verwezen) is in cassatie niet bestreden, ook niet voor zover het betreft de - terechte - constatering dat geen grief is gericht tegen het desbetreffende oordeel van de rechtbank (vonnis van 6 juni 2007, 5.1). Slechts ten overvloede wordt overwogen: (a) dat de onderhavige schuldbekentenissen inderdaad als effecten kwalificeren (vgl. hetgeen daarover is overwogen in CBB 12 juni 2007, LJN BA7366 / JOR 2007,187, m.nt. Grundmann-van de Krol); (b) dat, anders dan [appellant ] meent, het Hoge Raad-arrest van 28 oktober 2011 (meer speciaal overweging 3.5.3.) niet noopt tot een ander oordeel, reeds omdat in de onderhavige zaak niet in geschil is dat de leningen zijn aangegaan als (Intershare)beleggingen (vgl. ook 3 (iv) van het verwijzingsarrest) en (c) dat ook indien dit alles anders zou zijn en [appellant ] dus niet art. 7, lid 1, Wte 1995 heeft overtreden, zijn handelen, zoals hierna nader zal worden overwogen en beslist, jegens [geïntimeerde 2] c.s. in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.
geensprake van een voldoende gemotiveerd verweer. Uit hetgeen door [appellant ] is aangevoerd volgt onvoldoende dat [geïntimeerde 2] c.s. ook zonder bijvoorbeeld zijn aanprijzingen en de door hem uitgebrachte en aan o.a. [geïntimeerde 1] toegestuurde brochure gelden ter belegging zouden hebben uitgeleend aan [betrokkene 1] . Bovendien heeft [appellant ]
erkenddat [geïntimeerde 2] c.s. ‘op basis van de verhalen van [appellant ] daadwerkelijk gelden [zijn] gaan uitlenen aan [betrokkene 1] ’ (pleitnota 8 juni 2010 punt 5).