Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 23 juni 2015
HaskoningDHV Nederland B.V.,
Arcadis Nederland B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“(…)
Inschrijvingen dienen uiterlijk op25 september 2014 om 15.00 uurte zijn ingediend bij de in lid 1 genoemde dienst. Deze datum geldt als uiterste datum voor ontvangst van de inschrijvingen.
“(…) Op 14 november 2014 heb ik u middels brief met kenmerk (…) bericht dat uw inschrijving terzijde is gelegd. U bent tegen die beslissing in beroep gegaan. De voorzieningenrechter heeft op 18 februari 215 uitspraak gedaan (…). Om invulling te geven aan de uitspraak van de rechter in eerste aanleg, is op 24 april 2015 ten kantore van Rijkswaterstaat door HaskoningDHV Nederland BV uit TenderNed teruggehaald datgene wat Royal HaskoningDHV destijds heeft geüpload ten behoeve van de niet voltooide inschrijving. De op deze wijze teruggehaalde informatie is aan Rijkswaterstaat overgedragen, waarna deze heeft geconstateerd dat de op 24 april 2015 verkregen documenten gelijkluidend zijn aan de ingediende schriftelijke documenten.
incidenteel appel van Arcadiserop zijn gericht een oordeel te bewerkstellingen ten nadele van haar mede-geïntimeerde Haskoning terwijl Arcadis de grieven van de Staat heeft onderschreven. Arcadis heeft daarmee miskend dat een incidenteel appel slechts gericht kan zijn tegen de principaal appellant. Dat brengt mee dat Arcadis niet-ontvankelijk is in haar incidenteel appel. Wel dient haar vordering als tussenkomende partij te worden beoordeeld.
principaal appelkomen in verschillende varianten op tegen de beoordeling door de voorzieningenrechter en de maatstaven die hij bij die beoordeling heeft aangelegd. Deze grieven zullen daarom gezamenlijk worden behandeld. Daarbij wordt het volgende voorop gesteld.
CAS Succhi di Frutta)). De verplichting van een aanbestedende dienst om de door hemzelf vastgestelde criteria nauwgezet in acht te nemen, betekent ook dat hij is gehouden een marktdeelnemer uit te sluiten die een stuk of een gegeven dat volgens de aanbestedingsdocumenten op straffe van uitsluiting moest worden overgelegd, niet heeft verstrekt (HvJEU 10 oktober 2013, C-336/12, ECLI:EU:C:2013:647ECLI:EU:C:2013:647, punt 40 (
Manova)). Deze uitsluitingsverplichting is zo stringent dat zij zelfs geldt in een geval waarin een marktdeelnemer de in de aanbestedingsdocumenten neergelegde verplichting niet is nagekomen om op straffe van uitsluiting aan zijn inschrijving een verklaring te hechten dat jegens een bepaalde in die inschrijving genoemde persoon geen strafrechtelijke procedures aanhangig zijn en deze persoon niet bij strafrechtelijke uitspraak is veroordeeld, en na het verstrijken van de termijn voor het neerleggen van de inschrijvingen wordt aangetoond dat die persoon bij vergissing in die inschrijving is genoemd (HvJEU 6 november 2014, C-42/13, ECLI:EU:C:2014:2345ECLI:EU:C:2014:2345 (
Cartiere dell’Adda)).
wijze van aanleveringdaarvan.
faseopgenomen dat de digitale inschrijving leidend is indien er verschil is tussen een digitaal en schriftelijk aangeleverd document, maar paragraaf 2.4, die betrekking heeft op (het indienen van) de inschrijving als zodanig, spreekt uitsluitend over de fysiek op het kantoor van Rijkswaterstaat in te leveren inschrijvingen, hetgeen er in deze samenhang op duidt dat het primaat bij die fysieke inschrijving lag. Datzelfde geldt voor de vermelding in paragraaf 2.3.5 dat de inschrijving dient te bestaan uit één origineel exemplaar van alle in te dienen bescheiden. Dat sluit ook aan bij de opmerkingen van Rijkswaterstaat in paragraaf 38 van de memorie van grieven waarin hij aangeeft dat de schriftelijke inschrijving noodzakelijk was “omdat nog geen enkele onderneming had geïnvesteerd in een elektronische handtekening”. Het hof neemt verder in aanmerking dat uit het IenB-document zelf niet blijkt dat een inschrijving via TenderNed niet compleet is zonder bevestiging per e-mail en na ontvangst van een SMS-bericht. Uit paragraaf 2.3.1 sub b volgt verder dat er verschillen kunnen en dus kennelijk ook mogen bestaan tussen de digitale en de fysieke versie.
Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 februari 2015;
- veroordeelt Rijkswaterstaat in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van Haskoning begroot op € 711,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris van de advocaat, en aan de zijde van Arcadis begroot op € 711,- aan verschotten en € 894,- aan salaris van de advocaat, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit arrest;
- wijst af de vorderingen van Arcadis als tussenkomende partij en veroordeelt Arcadis voor wat betreft de tussenkomst in de kosten van het geding, die worden begroot op nihil;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde;
- verklaart Arcadis niet-ontvankelijk;
- veroordeelt Arcadis in de kosten van het incidenteel appel aan de zijde van Rijkswaterstaat en Haskoning begroot op nihil.