Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
De tussen partijen bestaande rechtsverhouding (beide zorginkoopprocedures)
Zorg inkoopprocedure wijkverpleging
Zorginkoopprocedure AWBZ
“Statutair is vastgelegd op welke gronden de Raad van Toezicht respectievelijk de Algemene Vergadering een lid van de Raad van Toezicht kan schorsen of ontslaan, welke meerderheid van stemmen hiertoe is vereist en welke eventuele daarbij te hanteren procedures worden gevolgd.”In deze bepaling is dus niet alleen opgenomen dat statutair moet zijn vastgelegd op welke gronden een lid van de Raad van Toezicht kan worden ontslagen, maar ook op welke gronden dat lid kan worden geschorst. Taalkundig bezien laat dit artikel daarover geen twijfel bestaan. De bepaling dient, zoals ook volgt uit de door de rechtbank geciteerde toelichting, ter waarborging van de onafhankelijkheid van de leden van de Raad van Toezicht. Die onafhankelijkheid wordt niet geborgd indien de bepaling zo moet worden uitgelegd dat wel de gronden voor ontslag moeten zijn geregeld, maar niet de gronden voor schorsing. De tekst van de bepaling biedt ook geen steun voor de gedachte dat uitsluitend de gronden voor ontslag moeten zijn geregeld, en niet die voor schorsing. Ook als de door CZ gegeven toelichting, zoals HVP stelt (randnummer 125 memorie van antwoord), is toegesneden op vennootschappen, en niet op stichtingen, mocht HVP daaruit niet afleiden dat voor een stichting de bepaling anders zou moeten worden uitgelegd.
opnieuw rechtdoende:
3.De bespreking van het cassatiemiddel
RGZ/ComforMeden
KLM/CCC), de algemene beginselen van aanbestedingsrecht en het leerstuk ‘herstel van fouten’ binnen het aanbestedingsrecht. In de laatste paragraaf komen ook zes arresten van het HvJ EU aan de orde.
De zorgverzekeraars kopen in beginsel zorg in bij alle zorgaanbieders waarmee zorgverzekeraars voor 2014 productieafspraken extramurale verpleging en verzorging AWBZ hebben gemaakt, waarvan het contract niet is ontbonden in 2014 en die gedurende het contractjaar voldoen aan de gestelde (geschiktheids)eisen dan wel dat de uitsluitingscriteria op hen niet van toepassing zijn[onderstreping door A-G]. Uitgangspunt voor verzekeraars is dat zorgaanbieders de gelegenheid krijgen om de in 2014 gecontracteerde zorg aan bestaande klanten per 1 januari 2015 te continueren, voor zover deze zorg onderdeel blijft uitmaken van de extramurale verpleging en verzorging in 2015. Vanzelfsprekend voldoet de zorgaanbieder die we voor 2015 gaan contracteren aan overige gestelde eisen die navolgend worden toegelicht.
bestaandeen
nieuweaanbieders. Op p. 15 van de Inkoopgids is uiteengezet wat onder bestaande aanbieders en wat onder nieuwe aanbieders moet worden verstaan.
Een en ander leidt ertoe dat, indien Stichting HVP als zorgaanbieder aan de zorginkoopprocedures en de daaruit voortvloeiende vereisten van CZ voldoet, dit tot overeenkomsten met CZ dient te leiden[onderstreping door A-G].” [17]
RGZ/ComforMed-arrest van 4 april 2004 overwoog de Hoge Raad het volgende:
KLM/CCC-arrest van 3 mei 2013 overwoog de Hoge Raad het volgende:
RGZ/ComforMed-arrest zijn betekenis voor de rechtspraktijk in belangrijke mate heeft verloren. De verplichting voor aanbestedende diensten om in vrijwillige aanbestedingsprocedures de fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht in acht te nemen, volgt inmiddels rechtstreeks uit de Aanbestedingswet 2012. [21]
KLM/CCC-arrest schrijft Van Heeswijck dat, voor het antwoord op de vraag of een particuliere aanbesteder op grond van de precontractuele redelijkheid en billijkheid gebonden is aan de beginselen van gelijkheid en transparantie, de verwachting die (potentiële) inschrijvers redelijkerwijs aan de aanbesteding kunnen ontlenen beslissend is. Of in een concreet geval een dergelijke verwachting is gewekt, is afhankelijk van de aanbestedingsvoorwaarden en van de overige omstandigheden van het geval, waaronder de hoedanigheid van de betrokken partijen. [22] Van Heeswijck merkt overigens ook op dat de betekenis van de precontractuele redelijkheid en billijkheid in aanbestedingen niet is beperkt tot mogelijke grondslag voor gebondenheid aan aanbestedingsrechtelijke beginselen. Net als in het traditionele onderhandelingsmodel kan tijdens een aanbestedingsprocedure vertrouwen worden gewekt op de totstandkoming van een overeenkomst. [23]
KLM/CCC-arrest dat hieruit een vrij digitaal stelsel lijkt voort te vloeien: de algemene beginselen van aanbestedingsrecht zijn, afhankelijk van de gewekte verwachtingen, wel of niet van toepassing. Er lijkt volgens Van den Oord weinig nuance te zijn ten aanzien van de mogelijkheid dat de aanbestedingsrechtelijke beginselen slechts ten dele van toepassing kunnen zijn, dan wel dat daaraan een alternatieve invulling is gegeven in het kader van de betreffende aanbesteding. Een dergelijke digitale benadering is volgens Van den Oord onwenselijk en niet in overeenstemming met de door de Hoge Raad als uitgangspunt genomen contractsvrijheid. Hij merkt op dat er ten aanzien van de invulling van het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel ruimte dient te zijn voor maatwerk. [24]
KLM/CCC-arrest in de feitelijke rechtspraak is Rb. Limburg (k.g.) 19 juni 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:5956, rov. 4.1.-4.3. De rechtbank komt in deze zaak tot de conclusie dat de inschrijver er, als ervaren, landelijke speler op de markt van groenonderhoud, in alle redelijkheid niet vanuit mocht gaan dat sprake was van een private aanbesteder die zich aan het aanbestedingsrecht of de aanbestedingsrechtelijke beginselen wenste te binden, maar dat de private aanbesteder wel de verwachting had gewekt dat niet zou worden afgeweken van de uitgebreid beschreven beoordelingsprocedure en gunningscriteria.
dezeprivate aanbesteding niet de Europese en Nederlandse regelgeving met betrekking tot overheidsaanbestedingen van toepassing is, maar wel de eisen van redelijkheid en billijkheid, die de precontractuele fase beheersen, gelden. De rechtbank heeft het over een “lossere” beoordelingsmaatstaf, waarin aan het beginsel van de contractsvrijheid onder omstandigheden meer gewicht kan worden toegekend dan in het strikte regime bij publieke aanbestedingen het geval is. De rechtbank overweegt dat het bij
dezeprivate aanbesteding niet vanzelfsprekend is dat het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel in acht moeten worden genomen (vgl. HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2900). De toepasselijkheid daarvan is volgens de rechtbank onder meer afhankelijk van de aanbestedingsvoorwaarden en de verwachtingen die de (potentiële) aanbieders op basis daarvan redelijkerwijs mochten hebben.
gelijkheidsbeginselgeldt als kernbeginsel van het aanbestedingsrecht. [25] Dit beginsel houdt in dat op de aanbesteder een positieve (actieve) verplichting rust om ervoor te zorgen dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. [26] Het HvJ EU heeft het volgende overwogen:
Pizzo,C-27/15, EU:C:2016:404, punt 36).” [27]
Aanbestedingsrecht(2009) staat dat het gelijkheidsbeginsel naar zijn aard een tweesnijdend zwaard is: enerzijds verzet het zich tegen benadeling van (categorieën) inschrijvers, maar anderzijds verzet het zich er evenzeer tegen dat inschrijvers op welke wijze dan ook een voorkeursbehandeling krijgen. In dit handboek staat ook dat, gelet op het feit dat de relatie tussen aanbesteder en de verschillende inschrijvers een meerzijdige is, het onvermijdelijk is dat aan het beginsel van gelijke behandeling strak de hand wordt gehouden. [28]
transparantiebeginsel, dat een uitvloeisel van het gelijkheidsbeginsel is, bestaat uit twee componenten. De eerste component houdt in dat een aanbestedende dienst of speciale-sectorbedrijf bij het begin van een aanbestedingsprocedure een passende mate van openbaarheid moet betrachten. De tweede component houdt in dat de gunning van een opdracht moet worden gemotiveerd. [29] In het
Succhi di Frutta-arrest (2004) heeft het HvJ EG het volgende overwogen:
Lavorgna-arrest (2019) overweegt het HvJ EU het volgende:
proportionaliteitsbeginsel [33] houdt in dat een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf bij de voorbereiding en het tot stand brengen van een opdracht uitsluitend eisen, voorwaarden en criteria aan de inschrijver en de inschrijving kan stellen die in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht. Voor maatwerk is ruimte, maar die kent haar grenzen in het proportionaliteitsbeginsel. [34] Zie art. 1.10 en art. 1.13 van de Aanbestedingswet 2012.
objectiviteitsbeginselte gelden in het aanbestedingsrecht. De aanbestedingsprocedure moet objectief verlopen, volgens objectieve criteria. [35] Veel zelfstandige betekenis heeft dit beginsel, naast het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel, volgens mij niet. [36]
Aanbestedingsrecht(2009) staat op p. 32 dat binnen de Nederlandse rechtsorde sinds geruime tijd vaststaat dat het optreden van
overheidsopdrachtgeversin het kader van aanbestedingsprocedures zowel vatbaar is voor toetsing aan de publiekrechtelijke algemene beginselen van behoorlijk bestuur als aan de civielrechtelijke normen met betrekking tot precontractuele rechtsverhoudingen. [37] Zo komt volgens het handboek ook art. 3:14 BW Pro [38] en het
zorgvuldigheidsbeginselin beeld.
Aanbestedingsrecht(2009) wordt op p. 358-367 een overzicht gegeven van jurisprudentie ter zake van geldigheid van inschrijvingen, waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan jurisprudentie betreffende:
SAG-arrest (2012), het
Manova-arrest (2013), het
Cartiera dell’Adda-arrest (2014), het
Pizzo-arrest (2016), het
Ciclat-arrest (2016) en het
Lavorgna-arrest (2019). In randnummer 3.37. geef ik aan welke conclusie uit deze arresten getrokken kan worden.
SAG-arrest (2012) ging het om het volgende. Een handelsmaatschappij die voor 100% in handen is van de Slowaakse Staat, te weten NDS, schreef in september 2007 een niet-openbare aanbestedingsprocedure uit voor het sluiten van een overeenkomst inzake een overheidsopdracht, met een geraamde waarde van 600 miljoen euro, voor de verrichting van diensten op het gebied van de inning van tolgelden op autosnelwegen en op bepaalde wegen. In de loop van de aanbestedingsprocedure heeft NDS aan twee groepen van ondernemingen (de groep SAG ELV e.a. en de groep Slovakpass), die onder de gegadigden waren, verzoeken tot nadere toelichting bij hun inschrijving gericht. Naast vragen betreffende de technische aspecten van elk van de inschrijvingen, werden deze twee groepen verzocht om nadere toelichtingen bij de abnormaal lage prijzen die zij hadden voorgesteld. Deze vragen werden beantwoord.
verplichtom de gegadigden in een niet-openbare aanbestedingsprocedure te verzoeken om hun inschrijvingen toe te lichten in het licht van de technische specificaties van het bestek alvorens deze inschrijvingen af te wijzen op grond dat zij onnauwkeurig zijn of niet overeenstemmen met deze specificaties. Artikel 2 staat Pro er in het bijzonder evenwel niet aan in de weg dat, in uitzonderlijke gevallen, de gegevens van de inschrijvingen gericht kunnen worden verbeterd of aangevuld, met name omdat deze klaarblijkelijk een eenvoudige precisering behoeven, of om kennelijke materiële fouten recht te zetten, mits deze wijziging er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Dat artikel verzet zich er dus evenmin tegen dat het nationale recht een bepaling bevat volgens welke in wezen de aanbestedende dienst de gegadigden schriftelijk kan verzoeken om hun inschrijving te verduidelijken zonder evenwel een wijziging van de inschrijving te vragen of te aanvaarden. Vervolgens gaf het HvJ EU nog enige aanwijzingen, die in de hiernavolgende samenvatting van het
Manova-arrest aan de orde zullen komen. [45]
Manova-arrest (2013) ging het om het volgende. Het Deense ministerie van Onderwijs had een aanbesteding uitgeschreven voor de diensten die vereist zijn voor de exploitatie van zeven centra van oriëntatie en beroepsadvies met ingang van 1 augustus 2009. Na afloop van de inschrijvingstermijn (14 oktober 2008) hadden tien ondernemingen of instellingen een dossier voor de voorafgaande selectie ingediend, waaronder de Universiteit van Zuid-Denemarken (SU), de Universiteit van Kopenhagen (KU) en Manova. De inschrijvingsdossiers van SU en KU bevatten niet hun balans, hetgeen wel werd voorgeschreven door de aankondiging van de opdracht. De KU verwees dienaangaande naar haar internetsite. Op 29 oktober 2008 stuurde het ministerie van Onderwijs beide universiteiten een e-mail met het verzoek hun balans alsnog over te leggen, hetgeen KU op dezelfde dag en VU de volgende dag heeft gedaan. Volgens Manova, die anders dan KU en VU geen contract kreeg omdat het minister de inschrijvingen van KU en VU goedkoper achtte, had het ministerie van Onderwijs die e-mails niet mogen versturen.
SAG-arrest [47] heeft het HvJ EU bepaalde criteria ontwikkeld die grenzen stellen aan die mogelijkheid om inschrijvers schriftelijk om nadere toelichting bij hun inschrijving te verzoeken:
Cartiera dell’Adda-arrest (2014) ging het om het volgende. Bij besluit van 21 december 2010 werd een ingeschreven samenwerkingsverband (TSO) uitgesloten van een Italiaanse gunningsprocedure, omdat in de inschrijving van dit samenwerkingsverband een verklaring omtrent het gedrag ontbrak omtrent Galbiati, die was genoemd als technisch directeur. De opdrachtgever van het samenwerkingsverband, te weten CCM, gaf daarop een verklaring af waarin zij heeft uiteengezet dat geen van de uitsluitingsgronden op Galbiati van toepassing was en dat Galbiati per vergissing was genoemd als technisch directeur. Galbiati zou enkel een lid van de raad van de bestuur van CCM zonder vertegenwoordigingsbevoegdheid zijn. De aanvullende verklaring mocht echter niet baten (rov. 13).
op straffe van uitsluitingvan de aanbestedingsprocedure aan de inschrijving moest worden gehecht en dat enkel zuiver formele, voor de beoordeling van de inschrijving niet-beslissende onregelmatigheden konden worden hersteld (rov. 41). Het HvJ EU herinnerde eraan dat het reeds in het
Manova-arrest had geoordeeld dat een aanbestedende dienst de door hemzelf vastgestelde criteria nauwgezet in acht dient te nemen, zodat hij gehouden is een marktdeelnemer uit te sluiten die een stuk of een gegeven dat volgens de aanbestedingsdocumenten op straffe van uitsluiting moest worden overgelegd, niet heeft medegedeeld. Deze strikte verplichting vindt haar oorsprong in het beginsel van gelijke behandeling en de transparantieverplichting die eruit voortvloeit. Art. 45 van Pro Richtlijn 2004/18/EG [49] , in samenhang met art. 2 ervan Pro, als ook het beginsel van gelijke behandeling en de transparantieverplichting moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen de uitsluiting van een marktdeelnemer van een gunningsprocedure op grond dat deze marktdeelnemer de in de aanbestedingsdocumenten neergelegde verplichting niet is nagekomen om
op straffe van uitsluitingaan zijn inschrijving een verklaring te hechten dat jegens de persoon die in die inschrijving als technisch directeur van de marktdeelnemer wordt genoemd, geen strafrechtelijke procedures aanhangig zijn en deze persoon niet bij strafrechtelijke uitspraak is veroordeeld, zelfs indien na het verstrijken van de termijn voor het neerleggen van de inschrijvingen aan de aanbestedende dienst een dergelijke verklaring is medegedeeld of wordt aangetoond dat de hoedanigheid van technisch directeur bij vergissing aan deze persoon is toegekend. [50]
Pizzo-arrest (2016) ging het om het volgende. De havenautoriteit van Messina, Italië, schreef in november 2012 een openbare aanbesteding van Europees belang uit. Er werden vier offertes ingediend. Drie inschrijvers, waaronder CRGT, werden van de procedure uitgesloten, omdat zij de in een nationale begrotingswet bedoelde bijdrage niet hadden betaald aan de toezichthoudende autoriteit voor overheidsopdrachten (de AVPC). De verplichting om die bijdrage te betalen stond niet nadrukkelijk vermeld in de aanbestedingsdocumenten of in de nationale begrotingswet, maar volgde uit een uitlegging van die wet en van de nationale bestuursrechtspraak. De opdracht werd gegund aan Pizzo, de enige overgebleven inschrijver in de aanbestedingsprocedure. CRGT stapte daarop naar de regionale bestuursrechtbank van Sicilië. Pizzo stelde incidenteel beroep in, onder aanvoering dat CRGT ook om een andere reden had moeten worden uitgesloten. De bestuursrechtbank oordeelde dat CRGT ten onrechte van de betrokken aanbestedingsprocedure was uitgesloten. Het incidenteel beroep van Pizzo werd afgewezen. Daarop stelde Pizzo hoger beroep in.
Cartiera dell’Adda-arrest is bepaald dat een aanbestedende dienst niet elke rectificatie kan toestaan voor omissies die volgens de uitdrukkelijke bepalingen van de aanbestedingsdocumenten moeten leiden tot uitsluiting van de inschrijver. Daarbij heeft het HvJ EU onderstreept dat de betrokken verplichting (waarover het ging in het
Cartiera dell’Adda-arrest) in duidelijke termen was opgelegd in de aanbestedingsdocumenten, op straffe van uitsluiting. Vervolgens overweegt het HvJ EU dat wanneer evenwel een voorwaarde voor de deelname aan de aanbestedingsprocedure, op straffe van uitsluiting van die procedure, niet uitdrukkelijk is voorzien in de aanbestedingsdocumenten, en wanneer die voorwaarde enkel uit een uitlegging door de rechtspraak van het nationale recht kan worden afgeleid, de aanbestedende dienst de uitgesloten inschrijver een termijn kan toekennen die voldoende is om zijn omissie recht te zetten. [51]
Ciclat-arrest [52] (2016) heeft het HvJ EU in rov. 29 en rov. 30 de kern van het
Manova-arrest respectievelijk de kern van het
Cartiera dell’Adda-arrest samengevat weergegeven. Uit het
Manova-arrest volgt dat een aanbestedende dienst erom kan verzoeken dat de gegevens inzake een inschrijving nauwgezet worden verbeterd of aangevuld. Echter, dergelijke verbeteringen of aanvullingen kunnen enkel betrekking hebben op gegevens waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij dateren van voor het einde van de inschrijvingstermijn en niet op gegevens die op straffe van uitsluiting moeten worden verstrekt. Uit het
Cartiera dell’Adda-arrest volgt dat art. 51 van Pro Richtlijn 2004/18/EG, dat bepaalt dat de aanbestedende dienst kan verlangen dat de ondernemers de uit hoofde van de artikelen 45 tot en met 50 van diezelfde richtlijn overgelegde verklaringen en bescheiden aanvullen of nader toelichten, niet aldus kan worden uitgelegd dat deze dienst elke rectificatie kan toestaan voor omissies die volgens de uitdrukkelijke bepalingen van de aanbestedingsdocumenten moeten leiden tot uitsluiting van de inschrijver.
Lavorgna-arrest (2019) [53] ging het om het volgende. Bij aankondiging van 29 september 2017 heeft de Comune di Montelanico (een gemeente in de Italiaanse provincie Rome) een openbare aanbesteding uitgeschreven. Zes inschrijvers, dienden een offerte in, waaronder Gea en Lavorgna. Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van offerten heeft de aanbestedingscommissie, met gebruikmaking van het mechanisme voor aanvulling of verduidelijking van de stukken (
soccorso istruttorio) van artikel 83 lid 9 van Pro het Italiaanse wetboek overheidsopdrachten, de inschrijvers – waaronder Gea – gevraagd om hun arbeidskosten aan te geven. Bij besluit van 22 december 2017 heeft de Comune di Montelanico de opdracht gegund aan Gea. Lavorgna eindigde als tweede. Zij stapte vervolgens naar de rechter en voerde aan dat Gea had moeten worden uitgesloten van de aanbestedingsprocedure omdat zij in haar offerte geen arbeidskosten had vermeld en haar niet de mogelijkheid had moeten worden geboden om gebruik te maken van het mechanisme voor aanvulling of verduidelijking van de stukken. In het Italiaanse wetboek overheidsopdrachten stond een verplichting om, op straffe van uitsluiting, de arbeidskosten afzonderlijk te vermelden. Het mechanisme voor aanvulling of verduidelijking van de stukken kon niet worden gebruikt voor het geval waarin informatie omtrent de arbeidskosten ontbreekt (zie rov. 25 van het arrest).
Pizzo,
Cartiera dell’Addaen
Ciclatvolgt. Met betrekking tot de voorliggende zaak overweegt het HvJ EU dat iedere behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver in beginsel in staat was om kennis te nemen van de relevante regels die van toepassing waren op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanbestedingsprocedure, daaronder begrepen de verplichting om in de financiële offerte de arbeidskosten te vermelden. Het Italiaanse wetboek overheidsopdrachten was op dit punt dus duidelijk.
SAG-arrest heeft vastgesteld. Hieruit volgt dat als een herstelmogelijkheid wordt geboden, deze mogelijkheid moet worden geboden aan alle inschrijvers die in dezelfde situatie verkeren, dat een betrokken inschrijver niet in werkelijkheid een nieuwe inschrijving mag voorstellen en dat de aanbestedende dienst de gegadigden gelijk en op loyale wijze moeten behandelen. Het mag niet lijken alsof de aanbestedende dienst een inschrijver voortrekt. Verder geldt dat een aanbestedende dienst de door hemzelf vastgestelde criteria nauwgezet in acht dient te nemen. Hieruit volgt dat indien volgens de aanbestedingsstukken het ontbrekende stuk of de ontbrekende informatie op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt, de aanbestedende dienst geen herstelmogelijkheid mag bieden. Dat sprake is geweest van (enkel) een vergissing van de inschrijver, doet hieraan blijkens het
Cartiera dell’Adda-arrest niet af.
KLM/CCC-arrest van de Hoge Raad.
uitsluitendvan toepassing op “Wijkverpleging - segment 1” - een segment waarop HVP überhaupt niet had ingeschreven. Het nalaten van het Hof klemt bovendien nu het Zorginkoopdocument WVP 2015 ter zake van “Wijkverpleging Segment 2”
–waarop HVP wél had ingeschreven en dat geen enkele opmerking bevat over de toepasselijkheid van aanbestedingsbeginselen – tot uitgangspunt neemt dat met
alle bestaande‘Segment 2-aanbieders’ (zoals Stichting HVP Zorg ) een overeenkomst WVP 2015 zal worden gesloten indien en zodra is voldaan aan de aldaar genoemde en in randnummer 9 van deze procesinleiding geciteerde voorwaarden.
zelfstandigwordt beheerst door de (precontractuele) redelijkheid en billijkheid. Het oordeel van het Hof geeft blijk van de rechtsopvatting dat de redelijkheid en billijkheid bij toepassing (in enigerlei vorm of mate) van aanbestedingsbeginselen in de context van een private aanbesteding
per definitiegeheel wordt beheerst door die beginselen. Deze opvatting is onjuist. De aanbestedingsbeginselen zijn slechts een
uitvloeiselvan de redelijkheid en billijkheid, die daarnaast en daarvóór (ook) een zelfstandig bestaansrecht heeft.
.Hiermee miskent het Hof dat de beginselen van aanbestedingsrecht bij een private aanbesteding als de onderhavige hun concrete invulling pas kunnen verkrijgen op basis van de redelijkheid en billijkheid en (mede) aan de hand van de aanbestedingsvoorwaarden in kwestie en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de hoedanigheid van partijen. Deze invulling was tussen partijen nu juist
wélin geschil.
in het licht van de diametraal tegengestelde invullingdie partijen in hun processtukken hebben gegeven aan de verschillende beginselen. In voetnoot 11 bij deze alinea wordt gevraagd de volgende vergelijking te maken:
als beginsel van aanbestedingsrecht. Ik lees er enkel een beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro in.
SAG), onderdeel 40. Bedoeld zal zijn HvJ EU 29 maart 2012, C-599/10, ECLI:EU:C:2012:191 (
SAG), rov. 40. Het
SAG-arrest heb ik samengevat in randnummer 3.31.
SAG-arrest niet verkeerd geïnterpreteerd. Uit het
SAG-arrest volgt dat er, in uitzonderlijke gevallen, ruimte kan zijn voor een eenvoudige precisering of het herstel van een kennelijke materiële fout na het sluiten van de inschrijvingstermijn, mits deze wijziging er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Anders gezegd: niet-materiële kleinigheden na de inschrijvingstermijn zijn toegestaan, maar de inhoud van de inschrijving mag niet op een wezenlijk punt worden gewijzigd. Het hof overweegt terecht dat het vervangen van een inschrijver die niet aan de voorwaarden voor inschrijving voldoet, door een andere inschrijver die wel aan die voorwaarden voldoet, niet kan worden gerekend tot de categorie ‘eenvoudige preciseringen’ of tot de categorie ‘herstel van een kennelijke materiële fout’. Immers, zo’n vervanging komt erop neer dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Van een kleinigheid is dan geen sprake. De beginselen van aanbestedingsrecht laten zo’n vervanging niet toe.
vervangingen van een
nieuweinschrijving gesproken kan worden. Immers, niet alleen de rechtspersoon , maar ook de rechtsvorm (besloten vennootschap met winstoogmerk/stichting zonder winstoogmerk) wordt gewijzigd.
Cartiera dell’Adda-arrest in randnummer 3.33.). Een aanbesteder moet de door hemzelf vastgestelde criteria nauwgezet in acht nemen, zodat hij gehouden is een marktdeelnemer uit te sluiten die een stuk of een gegeven dat volgens de aanbestedingsdocumenten op straffe van uitsluiting moest worden overgelegd, niet heeft medegedeeld. Inschrijvers moeten gelijk worden behandeld. Er mag geen schijn van bevoorrechting ontstaan.
kennelijkemateriële fout kan zijn als dit bij zeer oppervlakkige lezing van de inschrijving voor de zorgverzekeraar direct evident is. Hiermee miskent het Hof dat een materiële fout ook en nog steeds een
kennelijkemateriële fout kan zijn als de fout pas evident
wordtals de inschrijving nauwkeuriger wordt bestudeerd en wordt bezien in samenhang met de overige relevante omstandigheden van het geval.
zichzelf niet aan in de weg stond” dat HVP Zorg B.V. zich inschreef, en dat deze omstandigheid
om die redenhet Hof niet leidt tot een ander oordeel dan het oordeel dat CZ de inschrijving van HVP niet had hoeven lezen als inschrijving van Stichting HVP Zorg . Dit oordeel is onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, nu uit het enkele feit dat de bewuste vragen “op
zichzelf’ niet in de weg stonden aan een inschrijving van HVP Zorg B.V. , niet blijkt dat en waarom dit feit het oordeel niet (mede) zou kunnen dragen dat het in werkelijkheid de bedoeling was om Stichting HVP Zorg in te schrijven, zoals HVP met deze (essentiële) stelling heeft betoogd.
dusenkel Stichting HVP zich wenste in te schrijven en in het bijzonder
nieteen aan haar gelieerde rechtspersoon als HVP Zorg B.V. Ik acht deze overweging begrijpelijk.
datde weigering van CZ om de inschrijving te beschouwen als een inschrijving van Stichting HVP Zorg in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid.
Deelklacht IV Ffalen ook. De overweging van het hof in rov. 17. dat het feit dat in voorgaande jaren ook steeds Stichting HVP een inschrijving had gedaan evenmin meebrengt dat haar moest worden toegestaan in dit geval na ommekomst van de inschrijvingstermijn nog een inschrijving te doen, is voldoende begrijpelijk. Hetzelfde geldt voor de slotoverweging van het hof in rov. 17.
kunnenindienen omdat hij in 2014 nog geen productie had geleverd;
de stelling onder a.is het hof ingegaan. Zie immers de eerste zin van rov. 16. In die overweging van het hof ligt mijns inziens ook een voldoende begrijpelijke reactie besloten op
de stelling onder b.Ik wijs ook op de door CZ ingenomen stelling dat het gebruik van de AGB-code van een andere rechtspersoon geen indicatie is dat die andere rechtspersoon voor een overeenkomst in aanmerking wil komen. Zie randnummer 53. op p. 21 van de memorie van grieven, alsmede randnummer 5. op p. 39 van de memorie van grieven.
de stelling onder d.wordt in de procesinleiding verwezen naar randnummer 63. van de memorie van antwoord, waarin het volgende staat:
de stelling onder e.wordt in de procesinleiding verwezen naar randnummer 65. van de memorie van antwoord. Ook hier geldt mijns inziens dat deze stelling geen afzonderlijke bespreking van het hof behoefde in het licht van het oordeel van het hof in rov. 14. dat in de inschrijving op diverse plekken HVP Zorg B.V. als inschrijver werd vermeld, het oordeel van het hof in rov. 16. dat het voor CZ Zorgverzekeraar niet evident kenbaar was en niet aan een redelijke twijfel onderhevig dat sprake was van een vergissing en het in rov. 17 besloten liggende oordeel van het hof dat hoogstens op specifieke onderdelen van de inschrijving sprake was van een door de inschrijver zelf gecreëerde onduidelijkheid die niet met een herkansing mag worden beloond.
de stelling onder f.wordt in de procesinleiding verwezen naar randnummer 66. van de memorie van antwoord. In de laatste zin van de tekst bij dat randnummer staat het volgende:
in dit verbandde discussie over de toepasselijkheid en de uitleg van (art. 4.2 lid 9 van) de ZGC onbesproken kan blijven. Ik breng in herinnering dat CZ Zorgverzekeraar om twee redenen heeft geweigerd met Stichting HVP te contracteren voor het overgangsjaar 2015:
CZ ZorgkantoorStichting HVP in aanmerking moest laten komen voor een overeenkomst op grond van het zorginkoopdocument AWBZ 2015 en aan de vraag of CZ Zorgkantoor de lopende overeenkomst AWBZ 2014 mocht beëindigen.