Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 29 september 2015
1. [appellant sub 1]
2. [appellant sub 2],
[geïntimeerde]
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
binnen drie maanden na mijn overlijden dient te zijn ingeschreven in het boedelregister.
- De vorderingen van mijn kinderen zijn voor de helft opeisbaar binnen zes maanden na mijn overlijden. Deze opeisbaarheid wordt echter beperkt voorzover mijn echtgenote aan kan tonen dat zij door uitkering van dit gedeelte van de vorderingen niet meer kan voortleven op de voet als zij dat gewend was, tot een bedrag waarbij zij nog wel alszodanig kan voortleven.
- (...)
a contrarioligt naar het oordeel van het hof niet voor de hand. Daarop wijst ook de omstandigheid dat [appellanten] de stelling van [geïntimeerde] (akte van 21 april 2015, onder 5) dat de beweerdelijk te laat opgeëiste helft van de vorderingen wederom opeisbaar zal zijn bij het overlijden van de weduwe, bij antwoordakte niet hebben weersproken. Dit betekent dat het hof het standpunt van [appellanten] dat de grammaticale betekenis helder is, niet deelt.
binnen drie maanden na mijn overlijden dient te zijn ingeschreven in het boedelregister’. Deze bevoegdheid vloeit eveneens voort uit art. 4:18 lid 1 BW Pro, waarvan het geen twijfel lijdt dat het een vervaltermijn inhoudt (Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4, 2003, p. 1592). Het valt op dat de redactie van deze vervaltermijn dringender is dan de onderhavige opeisbaarheidsbepaling (‘
dient te zijn ingeschreven’ in plaats van ‘opeisbaar is’).