Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 22 december 2015
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid TROS,
PRETIUM TELECOM B.V.,
Het verdere verloop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- Tros zendt radio- en televisieprogramma's uit. Pretium is een aanbieder van telecommunicatiediensten, waaronder diensten op het gebied van mobiel telefoneren. Pretium brengt haar diensten onder meer door telefonische benadering van potentiële klanten op de markt.
- In een uitzending van het Tros-televisieprogramma Tros Radar van 29 september 2008 is de wijze van telefonische klantenwerving door Pretium kritisch besproken. In de uitzending zijn beelden gebruikt van een cursus bij een destijds voor Pretium werkend callcenter, die door een medewerker van Tros zijn gemaakt met een verborgen camera.
Het hof verwerpt de door Pretium aangevoerde bezwaren. De door Tros aangevoerde feiten en omstandigheden betreffen de verdere ontwikkelingen in de onderlinge relatie tussen partijen en de door hen gevoerde procedures, en vormen derhalve slechts een toelichting op de huidige stand van zaken. Er is, zoals Pretium ook zelf stelt, geen sprake van nieuwe feiten na verwijzing die relevant zijn voor de inhoudelijke beoordeling van het incidentele vonnis van de rechtbank van 2 februari 2011. Pretium heeft bovendien uitgebreid gereageerd op deze feiten en omstandigheden en niet aannemelijk is geworden dat zij is geschaad in haar verdedigingsbelang.
Het hof deelt dit standpunt niet. Het hof ziet niet in waarom Pretium geen bewijs kan leveren door het doen horen van de cursusleider en de callcenter-cursisten als getuigen. Zij kunnen immers uit eigen wetenschap verklaren over de vraag of de in de Radar-uitzending uitgezonden beelden al dan niet overeenstemmen met hun herinneringen aan hetgeen tijdens de cursus in het callcenter is besproken. Ook kunnen zij uit eigen wetenschap verklaren over de vraag of de in de Radar-uitzending aan de kaak gestelde wijze van telefonische klantenwerving van Pretium al dan niet overeenstemt met de daadwerkelijke werkwijze ten tijde van de opnames. Pretium is bekend met de naam van de betreffende cursusleider die dag, die uit eigen wetenschap kan verklaren over feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid of de infiltrant zich jegens hem schuldig heeft gemaakt aan uitlokking van bepaalde uitspraken. Aangenomen mag worden dat bij Pretium ook de namen van de andere callcenter-cursisten bekend zijn althans dat zij die namen op eenvoudige wijze kan achterhalen. Dat er op het moment dat Pretium haar 843a Rv-vordering instelde reeds twee jaar was verstreken, maakt nog niet dat de getuigen geen goede herinnering meer aan die dag zouden hebben. Pretium had deze mogelijkheid in elk geval kunnen en moeten benutten alvorens haar vordering ex artikel 843a Rv in te stellen.
Dat Pretium de executie van het vonnis van de rechtbank heeft doorgezet nadat Tros niet-ontvankelijk was verklaard in haar appel is naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig, nu dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en niet is gebleken dat dit vonnis berustte op een kennelijke feitelijke of juridische misslag. Het enkele feit dat dit vonnis, zoals het hof thans heeft geoordeeld, onjuist was, brengt dit nog niet mee. Tros heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat Pretium misbruik heeft gemaakt van haar executiebevoegdheid.
Tros zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het 351 Rv-incident.
- dat Pretium wordt veroordeeld het op grond van het vonnis van 2 februari 2011 door Tros aan haar afgegeven ruwe beeldmateriaal binnen vijf werkdagen aan Tros te retourneren, op straffe van een dwangsom van € 5000,- per dag;
- te verklaren voor recht dat Tros ten aanzien van de bevolen afgifte van het ruwe materiaal op grond van het vonnis van 2 februari 2011 geen dwangsommen heeft verbeurd alsook dat de titel aan de hiermee verband houdende verrekening zoals bepaald in het dictum van het vonnis van 11 juli 2012, komt te vervallen.
Niet valt in te zien welk belang Tros heeft bij teruggave door Pretium van de dvd’s, nu deze inmiddels deel uitmaken van de processtukken in de bodemzaak.
Ook bij de gevorderde verklaring voor recht heeft Tros naar het oordeel van het hof geen belang. Nu het hof, zoals uit het voorgaande blijkt, het tussenvonnis van de rechtbank zal vernietigen, vervalt daarmee ook de aan Tros opgelegde dwangsom. Daarmee komt de grondslag aan de in het eindvonnis van 11 juli 2012 toegepaste verrekening te ontvallen. Een verklaring voor recht zoals verzocht voegt daaraan niets toe. Tros heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep toegelicht dat haar belang daaruit bestaat dat zij een executoriale titel nodig heeft om de door Pretium verbeurde dwangsommen te kunnen innen. Hiervoor heeft zij een vorm bedacht die - aldus Tros - aansluit bij het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 1976, NJ 1977,485 (ECLI:NL:HR:1976:
AC0523), hetgeen volgens Tros een aparte procedure voorkomt.
Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende: