Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 2 februari 2016
[appellant],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief Ibetoogt [appellant] dat het CJIB geen serieuze pogingen heeft ondernomen om de schadevergoedingsmaatregel te innen alvorens [appellant] in vervangende hechtenis te nemen. Deze grief faalt. Het CJIB heeft een acceptgiro en aanmaningen gestuurd. Op het CJIB rust niet zonder meer de verplichting om een deurwaarder in te schakelen en [appellant] heeft niet onderbouwd waarom die verplichting in dit geval wel zou bestaan, laat staan dat [appellant] heeft onderbouwd waarom het niet inschakelen van een deurwaarder tot onmiddellijke invrijheidsstelling zou moeten leiden. Overigens heeft de Staat bij memorie van antwoord gesteld dat hij wel degelijk een deurwaarder heeft ingeschakeld, maar dat deze op 20 juli 2015 telefonisch aan het CJIB heeft voorgesteld om de zaak aan het CJIB te retourneren omdat [appellant] geen regeling wilde treffen en beslag (roerende zaken) zinloos was.
grief IIen
grief IIIvalt [appellant] het oordeel van de voorzieningenrechter aan dat het CJIB niet gehouden was om in te gaan op het door hem (laatstelijk) gedane betalingsvoorstel. [appellant] voert aan dat hij op 8 september 2015 reeds heeft voorgesteld om een bedrag van € 5.000,- ineens te betalen en het restant af te betalen in
36 maandelijkse termijnen. De Staat betwist dit en stelt dat het voorstel van [appellant] inhield betaling van een bedrag van € 5.000,- ineens en afbetaling van het restant in maandelijkse termijnen van elk € 200,-, hetgeen (uitgaande van het totaal verschuldigde bedrag van, inclusief verhogingen, € 15.255,17) zou neerkomen op een volledige aflossing in
ruim 51 maanden. Dit verklaart ook waarom het CJIB, zoals [appellant] zelf ook toegeeft, een tegenvoorstel heeft gedaan, inhoudende betaling van een bedrag van € 7.500,- ineens en afbetaling van het restant in 36 maandelijkse termijnen. Daaruit blijkt dat het CJIB – conform het beleid – in elk geval niet akkoord ging met een aflossing in méér dan 36 maanden. [appellant] heeft zijn stelling omtrent een andersluidend betalingsvoorstel niet met stukken onderbouwd en voor getuigenbewijs is in een spoedappel als het onderhavige geen plaats, nog daargelaten dat geen gespecificeerd aanbod is gedaan.