Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 30 augustus 2016
[appellant],
Allianz Nederland Schadeverzekering N.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- Op 21 juli 2007 heeft [appellant] (geboren [datum] 1969) met een aantal bekenden een tochtje gemaakt op het Grevelingenmeer aan boord van het binnenschip “[naam]”(hierna: het schip). Het schip is een zeilklipper met een totaal zeiloppervlak van 220 m2. Het beschikt over een motor met een vermogen van 100PK. Het schip is eigendom van [X] en zijn echtgenote (hierna: [X]). [X] exploiteert het schip door op verzoek toeristische boottochtjes voor groepen en individuen te verzorgen.
- Tijdens genoemde tocht is, tijdens of vlak na het uitvoeren van een gijpmanoeuvre, de giek van het schip over een lengte van vier meter gebroken en op (onder anderen) [appellant] terechtgekomen (hierna: het ongeval), waardoor deze ernstig letsel heeft opgelopen. [appellant] heeft [X] aansprakelijk gesteld voor zijn schade.
- Allianz, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [X], heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde voor het ongeval erkend en aan [appellant] en een aantal regresnemers in eerste instantie in totaal een bedrag van € 137.000,-- betaald (waarvan € 70.813,91 aan [appellant]). Het bedrag van € 137.000,-- is de aansprakelijkheidslimiet op grond van artikel 8:983 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna BW) jo de Koninklijke Besluiten (hierna: KB’s) van 11 maart 1991 (Stb 1991, 108), 14 september 2001 (Stb. 2001, 415) en 24 november 2008 (Stb. 2008, 505).
- De schade van [appellant] komt ver boven de wettelijke limiet van € 137.000,-- uit.
- Na de zitting in hoger beroep van 9 januari 2014 heeft Allianz op 17 januari 2014 aanvullend een bedrag van € 66.186,09 aan [appellant] voldaan, zodat [appellant] uiteindelijk een bedrag van € 137.000,-- van Allianz heeft ontvangen.
a) primair vergoeding door Allianz van zijn volledige schade ten gevolge van het ongeval, zijnde een bedrag van € 621.381,95 (plus p.m.),
b) subsidiair vergoeding door Allianz van een bedrag van € 314.400,-- (zijnde de in het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (hierna: CLNI-verdrag 2012) vermelde minimale aansprakelijkheidsgrens van 400.000,-- SDR (€ 451.400,--) minus de reeds door Allianz betaalde € 137.000,--);
c) meer subsidiair een bedrag van € 83.000,-- althans € 78.638,-- (zijnde de aansprakelijkheidslimiet van € 137.000,-- op grond van artikel 8:983 BW Pro, welk bedrag na indexering per 2007 moet worden vastgesteld op € 220.000,-- althans € 215.638,--, minus de reeds door Allianz betaalde € 137.000,--);
d) uiterst subsidiair een in goede justitie vast te stellen bedrag,
een en ander met rente en kosten.
Bij de verhoging van de aansprakelijkheidslimiet voor dood en letsel van reizigers in geval van binnenlands personenvervoer per spoor of over de weg (KB van 24 november 2008, Stb. 2008, 505) heeft de toenmalige minister van justitie toegelicht dat het meest wenselijke scenario zou zijn om de limieten voor alle vervoersmodaliteiten tegelijkertijd aan te passen, maar dat daarvan is afgezien omdat met name in de zee- en binnenvaart nog veel internationale ontwikkelingen gaande waren, waar op dat moment nog niet op kon worden vooruitgelopen.
Op 27 september 2012 is het CLNI-verdrag 2012 (Trb. 2013,72) tot stand gekomen, welk verdrag door Nederland is ondertekend. In het CLNI-verdrag 2012 zijn onder andere de algemene aansprakelijkheidsgrenzen voor eigenaren van binnenschepen (als bedoeld in art. 8:1065 BW Pro) verdubbeld ten opzichte van het eerdere CLNI-verdrag van 1988. Op 1 februari 2015 heeft de minister van veiligheid en justitie een ontwerp voor een “Wetsvoorstel tot wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uitvoering van het CLNI-verdrag 2012” ter internetconsultatie voorgelegd. In een gezamenlijk commentaar van de IVR en de Nederlandse Vereniging Zee- en Vervoerrecht (NVZV) hierop is, onder verwijzing naar de toelichting bij het KB van 24 november 2008, Stb. 2008, 505 alsmede het vonnis van de rechtbank in de onderhavige zaak, de vraag gesteld of thans niet dient te worden onderzocht of het opportuun is om ook de limieten van de verschillende modaliteiten van het personenvervoer (waaronder artikel 8:983 BW Pro) aan te passen. Een concreet voorstel hiertoe is op dit moment niet bekend.
“4.6. De rechtbank stelt voorop dat naar algemeen wordt aangenomen in het vervoerrecht limitering van aansprakelijkheid gerechtvaardigd is vanwege de noodzaak om het ondernemersrisico beheersbaar te houden en vanwege de verzekerbaarheid van dat risico. Limitering is in overeenstemming met de internationale praktijk en de geldende verdragen op het terrein van het vervoerrecht. Er is dan ook geen sprake van dat artikel 8:983 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20ida12a194458e7b44dcffc74d21653fa1c) BW zonder meer in strijd is met het Protocol. De bescherming van eigendom waarin artikel 1 van Pro het Protocol voorziet, is niet absoluut en staat ook niet aan limitering van aansprakelijkheid in de weg. Wel dient er een “fair balance” te bestaan tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds. Daaraan is niet voldaan wanneer sprake is van een “individual and excessive burden” voor het betreffende individu.
[appellant] stelt dat Allianz zich begin mei 2010 heeft beroepen op de aansprakelijkheidslimiet van € 137.000,-, en dat zij op 7 mei 2010 aan [appellant] een slotuitkering heeft gedaan. Allianz had na deze slotuitkering in totaal € 70.813,91 aan [appellant] betaald. Omdat Allianz bij haar slotuitkering ten onrechte rekening had gehouden met hetgeen zij reeds aan regresnemers had betaald, heeft Allianz op 17 januari 2014 nog een aanvullend bedrag van € 66.186,09 aan [appellant] betaald, waarmee zij in totaal € 137.000,- aan hem heeft voldaan. [appellant] is van mening dat voor de berekening van de wettelijke rente er van uitgegaan moet worden dat Allianz op 7 mei 2010 gehouden was om het volledige aan [appellant] toekomende bedrag te betalen, tot aan de door het hof vast te stellen aansprakelijkheidslimiet. Allianz is wettelijke rente verschuldigd over hetgeen zij per 7 mei 2010 te weinig aan [appellant] heeft betaald, waarbij rekening dient te worden gehouden met de aanvullende betaling die Allianz op 17 januari 2014 heeft gedaan. [appellant] heeft de door Allianz per 1 juni 2014 verschuldigde wettelijke rente begroot op € 24.000,- (zijnde het bedrag dat bij de comparitie van partijen van 14 maart 2014 op grond van de redelijkheid en billijkheid voorlopig was becijferd), althans € 19.981,19, althans € 19.375,34.
Allianz stelt zich subsidiair – ervan uit gaande dat het hof tot indexering van de aansprakelijkheidslimiet van € 137.000,- zal overgaan, welke situatie zich voordoet – op het standpunt dat [appellant] ten onrechte de datum 7 mei 2010 als uitgangspunt neemt voor de renteberekening, omdat de door hem geleden schade op dat moment nog helemaal niet de limiet had bereikt. Naar de mening van Allianz moet de wettelijke rente worden berekend met inachtneming van het bedrag aan schade dat [appellant] jaarlijks leed. Allianz begroot de verschuldigde wettelijke rente tot 1 juli 2014 op € 9.285,-. Meer subsidiair, indien het hof [appellant] zal volgen in zijn renteberekening, is zij van mening dat de wettelijke rente een bedrag bedraagt van € 19.375,34.
Beslissing
opnieuw rechtdoende: