Belanghebbende is eigenaar van een kantoorpand dat sinds 2005 leegstaat en dat hij op 6 maart 2014 op een executieveiling heeft gekocht voor €590.000. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde voor 2015 vastgesteld op €1.187.000, later bij bezwaar verlaagd naar €1.094.000. De rechtbank oordeelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en wees het beroep grotendeels af, behalve voor proceskosten.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de waarde te hoog was en dat de executieveilingprijs de juiste waarde vertegenwoordigt. Het hof overwoog dat de heffingsambtenaar niet had voldaan aan zijn bewijslast, omdat het taxatierapport geen rekening hield met de langdurige leegstand en de executieveilingprijs buiten beschouwing liet.
Het hof volgde de jurisprudentie dat de prijs betaald kort na de waardepeildatum op een executieveiling in dit geval als de waarde in het economische verkeer geldt. Gezien de langdurige leegstand en het ontbreken van andere marktpartijen die een hogere prijs boden, stelde het hof de waarde vast op €590.000. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de beschikking en aanslagen werden verminderd, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld in de proceskosten en griffierecht.