ECLI:NL:GHDHA:2016:4046
Gerechtshof Den Haag
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot herziening belastingaanslagen niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang
Verzoeker heeft een verzoek tot herziening ingediend tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 24 juni 2011 betreffende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over de jaren 1990 tot en met 2000. De Inspecteur had navorderingsaanslagen, verhogingen en boetes opgelegd die deels waren vernietigd of verminderd in eerdere procedures.
De Hoge Raad had de eerdere uitspraak van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam, dat daarop een nieuwe uitspraak deed. Vervolgens zijn er meerdere cassatieberoepen en herzieningsverzoeken geweest, waarbij de Hoge Raad steeds bepaalde uitspraken vernietigde of niet-ontvankelijk verklaarde.
In het onderhavige verzoek stelt verzoeker dat de Inspecteur onrechtmatig bewijs heeft verkregen via microfiches van een Luxemburgse bank en dat de Belgische overheid strafbare feiten heeft gepleegd. Verzoeker vraagt het hof om de Inspecteur op te dragen een overzicht te verstrekken van misidentificaties. De Inspecteur bestrijdt het verzoek met argumenten over onvoldoende stelplicht, bewijslast en eerdere procesmogelijkheden.
Het hof oordeelt dat het verzoek niet-ontvankelijk is omdat de uitspraak waartegen het verzoek is gericht niet onherroepelijk is; de Hoge Raad heeft deze vernietigd en verwezen naar een ander hof. Het hof heeft na verwijzing geen taak meer en het verzoek heeft geen gevolgen. Verzoeker heeft daardoor geen belang bij het verzoek. Proceskosten worden niet toegewezen en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.