ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ6735
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- O.B. Onnes
- J.P.A. Boersma
- A.P.M. van Rijn
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs en boeten bij niet-aangegeven vermogen en rente op buitenlandse rekeningen
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak staat centraal of belanghebbende opzettelijk vermogen en rente-inkomsten uit buitenlandse rekeningen niet heeft aangegeven, waardoor te weinig belasting werd geheven. De Hoge Raad vernietigde eerdere uitspraken en verwees de zaak terug naar het hof voor nadere beoordeling van het bewijs en de opgelegde boeten.
Het hof stelde vast dat belanghebbende op 31 januari 1994 rekeningen bij een buitenlandse bank hield met een saldo van ruim ƒ 53.000, waarvan geen aangifte werd gedaan. Het bewijs dat deze rekeningen vanaf 1992 werden aangehouden, werd onvoldoende geacht, maar voor 1993 en 1994 werd het bewijs geleverd dat sprake was van niet aangegeven vermogen en rente. Het hof oordeelde dat het niet aangeven van deze bedragen opzettelijk was en dat de boete van 100% passend was vanwege strafverzwarende omstandigheden zoals listigheid.
De navorderingsaanslagen werden verminderd voor de jaren waarvoor onvoldoende bewijs was geleverd. Ook werd een matiging van boeten toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. Verzoeken om immateriële schadevergoeding werden afgewezen. De uitspraak werd gedaan door het hof Amsterdam op 7 maart 2013.
Uitkomst: Het hof vernietigt eerdere uitspraken, vermindert navorderingsaanslagen en boeten voor jaren zonder bewijs en bevestigt boeten voor 1993 en 1994; inspecteur wordt veroordeeld in proceskosten.