Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
arrest van 5 april 2016
Stichting SBOH,
[geïntimeerde],
Verder verloop van het geding in hoger beroep
Beoordeling in hoger beroep
De aios treedt 01-09-2010 althans met ingang van de datum waarop de opleidingsovereenkomst wordt aangegaan, in dienst van de SBOH voor bepaalde tijd, namelijk voor de duur van de opleidingsovereenkomst.
Het dienstverband eindigt van rechtswege zodra de opleidingsovereenkomst eindigt door voltooiing of beëindiging van de opleiding. (…)”
Een (beoogd) aios (…) kan bij de Commissie een geschil aanhangig maken over een besluit van:
een opleider, een opleidingsinrichting of een opleidingsinstituut over:
de opleiding tot specialist.
Het indienen van een geschil schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht.
In afwijking van het eerste lid, hebben de volgende omstandigheden schorsende werking ten aanzien van dat besluit:
Het aanhangig maken van een geschil bij de Commissie, bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder a.
Wanneer een aios een geschil aanhangig maakt tegen het besluit van het hoofd van het opleidingsinstituut om de opleiding van de aios (voortijdig) te beëindigen, eindigt de opleiding van de aios zodra de Geschillencommissie de aios in het ongelijk heeft gesteld of zoveel eerder als de aios zich al dan niet na bemiddeling neerlegt bij het besluit van het hoofd van het Opleidingsinstituut.”
Een dergelijke regeling, de zgn. schorsende werking, was voor 1 januari 2013 opgenomen in de Regeling.”
Als een aios een geschillenprocedure (…) tegen zijn of haar opleider startte, omdat de aios het niet eens was met het besluit van de opleider om de opleiding te beëindigen, dan had dit opschortende werking ten aanzien van dat besluit (…). Met andere woorden, de arbeidsovereenkomst blijft dan in stand en de aios krijgt salaris doorbetaald.”Het hof gaat voorbij aan het betoog van de Stichting dat aan de toelichting op voornoemde regeling geen conclusies kunnen worden verbonden ten aanzien van de onderhavige situatie. In de toelichting wordt immers een beschrijving gegeven van de tot 1 januari 2013 geldende situatie.
Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van 18 juli 2014 van de rechtbank Rotterdam, team kanton, locatie Rotterdam, gewezen tussen partijen;
- veroordeelt de Stichting in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 704,- aan griffierecht en € 1.158,- aan geliquideerde advocaatkosten, te vermeerderen met de nakosten, begroot op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt en op € 199,- indien wel betekening plaatsvindt, en de wettelijke rente over de nakosten vanaf datum verzuim betaling daarvan;
- wijst het meer of anders gevorderde af.