ECLI:NL:GHDHA:2016:856
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Incident inzake inzage zakelijke e-mailaccount na ontslag wegens fraude bij GGZ Delfland
Appellant was sinds 19 augustus 2008 in dienst bij GGZ Delfland en werd op 15 maart 2011 op non-actief gesteld vanwege een arbeidsconflict. Kort daarna ontstond een verdenking van fraude, waarna appellant op 27 april 2011 op staande voet werd ontslagen wegens onder meer privéaankopen via de werkgever. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding.
Appellant stelde diverse vorderingen in, waaronder een verklaring voor recht dat zijn schorsing en ontslag nietig of onrechtmatig waren, en vorderde loondoorbetaling en wedertewerkstelling. Deze werden door de kantonrechter afgewezen, mede omdat appellant geen deskundigenverklaring over zijn ziekteperiode overlegde. GGZ Delfland stelde vorderingen wegens onrechtmatig handelen en contractbreuk, waarop appellant reconventioneel soortgelijke vorderingen instelde. De kantonrechter oordeelde dat appellant en een ICT-leverancier onrechtmatig hadden gehandeld en veroordeelde hen tot schadevergoeding en kostenbetaling.
In het incident vorderde appellant inzage in zijn zakelijke e-mailaccount om zijn bewijspositie te versterken tegen de fraudeverwijten. GGZ Delfland verweerde zich met het gezag van gewijsde van eerdere vonnissen en vertrouwelijkheid van gegevens. Het hof stelde vast dat appellant niet tegen alle vonnissen hoger beroep had ingesteld en dat het gezag van gewijsde mogelijk van toepassing was. Het gaf appellant gelegenheid om te reageren en lichtte toe dat dit gezag ook de hoofdzaak kan beïnvloeden. De zaak werd verwezen voor nadere aktewisseling en verdere beslissing aangehouden.
Uitkomst: Het hof verwijst de zaak voor nadere aktewisseling en houdt verdere beslissing aan over de inzagevordering.