Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
.
Gerechtshof Den Haag
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die het gezag over de minderjarigen aan de vader toekende. De minderjarigen waren sinds oktober 2015 uit huis geplaatst vanwege een zorgelijke opvoedsituatie en langdurige hulpverlening zonder verbetering. De moeder voerde aan dat zij niet lijdt aan het Münchhausen-by-proxysyndroom en dat de rechtbank het lopende raadsonderzoek had moeten afwachten.
De vader en de gecertificeerde instelling stelden dat de moeder niet in staat is het gezag gezamenlijk uit te oefenen en dat de minderjarigen klem en verloren zijn geraakt tussen de ouders. De moeder zou medische behandelingen tegenwerken en de hulpverlening belemmeren. De minderjarigen zelf gaven aan geen zeggenschap van de moeder te willen.
Het hof oordeelt dat het belang van de minderjarigen voorop staat en dat het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico inhoudt. Het hof bevestigt daarom de beschikking van de rechtbank die het gezag aan de vader toekent. Een nieuw raadsonderzoek acht het hof niet nodig gezien de uitgebreide hulpverleningsgeschiedenis en de huidige situatie.
De beslissing is genomen in het belang van de minderjarigen, waarbij het hof rekening houdt met hun mening en de noodzaak van snelle beslissingen over hun verzorging en opvoeding.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het eenhoofdig gezag van de vader over de minderjarigen in het belang van hun veiligheid en welzijn.