Conclusie
1.Feiten en procesverloop
schema:
Hof Arnhem-L 19 dec. 2017(zie al. 1.17)
cassatieberoep mannr. 18/01168 -
cassatieberoep mannr. 18/01172
family life) bestaat of heeft bestaan tussen de man en [dochter 2] en dat de man geen recht heeft op omgang met [dochter 2] ;
voorlopigeregeling vast te stellen voor het contact tussen haar en [dochter 1] .
voorlopigeregeling vast te stellen voor de omgang tussen hem en [dochter 2] , op straffe van lijfsdwang indien de vrouw in gebreke blijft aan die regeling te voldoen. Ten slotte verzocht de man de rechtbank om de omgang tussen de vrouw en [dochter 1] op te schorten tot de datum waarop het Nederlandse paspoort van [dochter 1] vervalt.
family lifeheeft bestaan in de zin van art. 8 EVRM Pro (rov. 3.7.5 Rb). De rechtbank achtte het vaststellen van een regeling voor omgang tussen de man en [dochter 2] evenwel in strijd met zwaarwegende belangen van dat kind (rov. 3.7.7 Rb). Om die reden heeft de rechtbank aan de man het recht op omgang met [dochter 2] ontzegd en alle verzoeken van de man met betrekking tot [dochter 2] afgewezen.
dictumheeft de rechtbank de verzoeken van de man onder 2, 4 t/m 7 en 9 t/m 12 afgewezen, evenals de (hiervoor al genoemde) door hem op 20 mei en 31 oktober 2014 ingediende aanvullende verzoeken. De rechtbank verwees de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant voor een beslissing over de nog resterende verzoeken (rov. 3.12 Rb). Er was dus sprake van een ‘deelbeschikking’. De rechtsgevolgen van deze splitsing van de procedure zullen aan de orde komen bij de bespreking van middelonderdeel 2.1.
- de beschikking van 17 februari 2015 bekrachtigd voor zover in dat appel aan de orde;
- de verwijzing van [dochter 2] en de man naar de Stichting Combinatie Jeugdzorg ingetrokken en geconstateerd dat de aanvullende verwijzing van [dochter 1] en de vrouw naar die Stichting als ingetrokken moet worden beschouwd, onder handhaving van de verwijzing naar die Stichting door de rechtbank Zeeland-West-Brabant;
- de opdracht van het hof aan de bijzondere curator beschouwd als beëindigd;
- de tijdelijke schorsing beëindigd van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de ontzegging van de omgang tussen [dochter 2] en de man;
- de tijdelijke schorsing beëindigd van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de dwangsomsanctie ten aanzien van de begeleide omgang tussen [dochter 1] en de vrouw;
- een voorziening getroffen voor het zoekgeraakte paspoort van [dochter 1] ;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
subsidiair: te bepalen dat [dochter 1] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1vloeien voort uit de omstandigheid dat het geding is gesplitst als gevolg van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2015: zie alinea 1.8 hiervoor. Een rode draad in de klachten is, dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de nu bestreden eindbeschikking de beide procedures (A en B) onvoldoende uit elkaar heeft gehouden.
Onderdeel 2.1.0klaagt in dit verband dat het hof buiten het partijdebat is getreden, althans op een ontoelaatbare wijze zelf de door partijen gestelde feiten heeft aangevuld. Volgens de man heeft het hof zijn oordeel in rov. 4.2, 4.3 en 4.9 (in de A-procedure) mede gebaseerd op de uitkomst van de procedure na verwijzing door de Hoge Raad (de B-procedure), zonder dat partijen zich daarover hebben kunnen uitlaten: de uitkomst van de parallelprocedure was tijdens het debat in hoger beroep immers nog niet bekend. Volgens de klacht heeft het hof daarmee het in art. 6 EVRM Pro en art. 19 Rv Pro beschermde beginsel van hoor en wederhoor geschonden en/of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven.
onderdelen 2.1.1 - 2.1.5van het cassatiemiddel zijn gericht tegen de verwerping van grief VI van de man in rov. 4.3 en tegen de daarop voortbouwende overwegingen in rov. 4.9, 4.15 en 4.16. In zijn zesde grief had de man samengevat aangevoerd dat de rechtbank Oost-Brabant op 27 juli 2016 geen beslissing had mogen nemen over de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] , over schorsing van de (bestaande) regeling van het contact van de vrouw met [dochter 1] , noch over de opdracht aan de Raad voor de kinderbescherming, omdat over die punten nog in de B-procedure een beslissing moest worden genomen. De klachten komen neer op het volgende:
onverkorteen onherroepelijke beslissing in de B-procedure dient af te wachten. In eerste aanleg had de rechtbank Zeeland-West-Brabant met betrekking tot [dochter 1] een tussenbeschikking gegeven, waarin advies van de Raad voor de kinderbescherming nodig werd geacht. Nadat tegen die beschikking hoger beroep was ingesteld, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn beschikking van 20 augustus 2015 het verzoek van de man om het hoofdverblijf van [dochter 1] bij hem te bepalen afgewezen
voor zover dat verzoek was gebaseerd op de gestelde overeenkomst tussen partijen. Daarmee had het hof nog geen beslissing gegeven over de hoofdverblijfplaats van [dochter 1]
anders dan op basis van de gestelde overeenkomst(en evenmin beslist omtrent het gezag over [dochter 1] of over een definitieve regeling voor het contact tussen [dochter 1] en de niet-verzorgende ouder). De rechtbank Oost-Brabant mocht oordelen, in rov. 4.4 van haar beschikking van 27 juli 2016, dat toen op korte termijn een beslissing nodig was over de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] , aangezien zij in feite haar moeder al 3½ jaar niet had gezien. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is in rov. 4.3 van de nu bestreden beschikking tot de slotsom gekomen dat deze geschilpunten geen onderwerp waren van het cassatieberoep dat tot de meergenoemde beschikking van de Hoge Raad van 8 juli 2016 heeft geleid [19] . De klachten onder 2.1.1 – 2.1.5 falen.
tussenbeschikking had gegeven ter zake van de hoofdverblijfplaats en van een regeling voor het contact van [dochter 1] met de niet-verzorgende ouder. Volgens het middelonderdeel miskent het hof dat, gelet op rov. 7.9 van de tussenbeschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2015, in deze procedure geen plaats meer is voor discussie over de vraag of de rechtbank op 17 februari 2015 een tussenbeschikking dan wel een eindbeschikking had gegeven.
wat betreft de verzochte voorzieningen ten aanzien van [dochter 1]op goede gronden heeft aangemerkt als tussenbeschikking, omdat
in het dictumvan de laatstgenoemde beschikking nog geen beslissing werd gegeven over (een deel van) hetgeen op die punten werd verzocht. In zoverre was nog geen eind gemaakt aan de procedure in eerste aanleg [20] . In rov. 7.9 van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2015 lees ik niet een andersluidend oordeel. Deze rechtsklacht faalt.
buitenhuwelijkse relatie door een voorzieningenrechter zijn opgelegd voor de duur van de bodemprocedure. De voorlopige voorziening in het vonnis van 4 februari 2014, die inhield dat de man gedurende de bodemprocedure beslissingsbevoegdheid heeft ten aanzien van [dochter 1] , duidt volgens de man erop dat de voorzieningenrechter een met art. 822 Rv Pro vergelijkbare regeling voor ogen had, in die zin dat de voorlopige voorziening blijft voortduren totdat de beslissing in de bodemzaak onherroepelijk is geworden. Zolang er geen beslissing over de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] is die kracht van gewijsde heeft verkregen, is − volgens de klacht − haar hoofdverblijfplaats rechtens bij de man.
onderdelen 2.1.8-I en 2.1.8-IIzijn gericht tegen rov. 4.3, 4.15 en 4.16, respectievelijk rov. 4.3 en 4.9. Deze middelonderdelen bouwen voort op de eerdere klachten en behoeven na het voorgaande geen afzonderlijke bespreking meer.
,moet worden beschouwd als een tussenbeschikking of als een eindbeschikking, niet ter discussie staan. Volgens het middelonderdeel is rov. 3.2 innerlijk tegenstrijdig: met betrekking tot de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2015 vermeldt het hof enerzijds dat de verzoeken van de man (zoals aanvullend gedaan op 20 mei 2014) zijn afgewezen, hetgeen volgens de klacht betekent dat de beschikking in zoverre heeft te gelden als een
eindbeschikking. Anderzijds overweegt het hof in rov. 3.3 dat die rechtbank in de beschikking van 17 februari 2015 ten aanzien van [dochter 1] een
tussenbeschikking heeft gegeven.
eindbeschikking zou zijn. Indien de rechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel over een bepaald geschilpunt heeft gegeven, wordt dit aangeduid als een (in het vervolg van die procedure in beginsel ook voor de rechter bindende) eindbeslissing. Van een (gedeeltelijke) eindbeschikking is sprake indien en voor zover
in het dictumvan de beschikking een beslissing is genomen over (een gedeelte van) hetgeen in de procedure is verzocht en daarmee de desbetreffende instantie (voor dat gedeelte) is geëindigd. Een beschikking die gedeeltelijk een
eindbeschikking en gedeeltelijk een
tussenbeschikking inhoudt, pleegt ‘deelbeschikking’ te worden genoemd. Anders dan het middelonderdeel veronderstelt, spreken rov. 3.3 en in rov. 3.4 elkaar niet tegen; in elk geval is de beslissing niet onbegrijpelijk. De motiveringsklacht faalt.
nooitgezag van gewijsde verkrijgen en zonder meer terzijde kunnen worden geschoven door een rechterlijke beslissing van later datum.
gezagvan gewijsde heeft beroepen (vgl. art. 236 lid 3 Rv Pro). Verder behoeft deze klacht na het voorgaande geen bespreking.
aan de vrouween verbod op te leggen om Nederland te verlaten. Die overweging ging niet over het opleggen van een verbod aan de man. Alle klachten van onderdeel 2.1.11 falen.
Onderdeel 2.2.4is gericht tegen rov. 4.7, waar het hof overweegt dat het op art. 810a Rv gebaseerde verzoek van de man om nader onderzoek door een of meer deskundigen, “ondanks of wellicht juist door de uitvoerige toelichting die de vader op zijn verzoek heeft gegeven” (…) “onvoldoende concreet en ter zake dienend is”. Het middelonderdeel klaagt dat het hof hier te hoge eisen stelt aan de onderbouwing van een dergelijk verzoek en aldus een onjuiste maatstaf hanteert, hetzij de stellingen van de man (in het middel samengevat onder 2.2.1 - 2.2.3) ten onrechte onbesproken heeft gelaten. Volgens de man heeft het hof grief II niet anders kunnen opvatten dan dat de man in hoger beroep vond dat veel zaken die van belang zijn, niet behoorlijk waren onderzocht en ten onrechte niet door de rechtbank waren meegewogen. De man noemt met name twee rapporten van deskundigen, schoolrapportages, crècherapportages en informanten, al welke informatie door de Raad voor de kinderbescherming buiten het onderzoek zou zijn gehouden.
Onderdeel 2.2.5klaagt subsidiair dat het hof in rov. 4.7 een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan grief II.
onderdeel 2.2.7brengt de man naar voren dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant in (rov. 3.7 van) haar tussenbeschikking van 23 april 2014 de verwachting had uitgesproken dat de Raad voor de kinderbescherming in zijn advies ook de vrees van de man zal betrekken dat de vrouw [dochter 1] en [dochter 2] overbrengt naar Brazilië. Deze vingerwijzing (“extra opdracht”) is volgens het middelonderdeel weggelaten in de beschikking van 17 februari 2015 waarin de rechtbank een onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming heeft gelast. Volgens de man is deze vingerwijzing voor partijen bindend.
Onderdeel 2.2.8voegt hieraan toe dat er alle aanleiding was voor nader onderzoek op dit punt, nu het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming dateerde van 16 november 2015 en ten tijde van de nu bestreden beschikking dus bijna twee jaar oud was.
Onderdeel 2.2.10richt zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen de overweging in rov. 4.7 dat art. 810a lid 2 Rv betrekking heeft op zaken waarin een kinderbeschermingsmaatregel aan de orde is. Deze overweging is volgens de man in tegenspraak met de overweging in rov. 4.5, dat ingevolge het tweede lid van art. 810a Rv de rechter op verzoek van een ouder een deskundige benoemt in zaken betreffende beëindiging van het ouderlijk gezag.
Onderdeel 2.3.3klaagt dat het hof met het oordeel over de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] in rov. 4.9 - 4.11 zijn taak als appelrechter heeft miskend en buiten het partijdebat is getreden. Deze algemene klacht is uitgewerkt in de onderdelen 2.3.4 - 2.3.7 (wat betreft rov. 4.9) en in de onderdelen 2.3.8 - 2.3.16 (wat betreft rov. 4.10).
onderdeel 2.3.5dat het hof miskent dat bij het bepalen van de hoofdverblijfplaats van een minderjarige alle omstandigheden van het geval van belang zijn.
Onderdeel 2.3.6klaagt dat wanneer het hof ervan uitgaat dat hetgeen in de periode 2012 - 2014 is voorgevallen er niet meer toe doet, het hof miskent dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn, dus ook de wijze waarop de vrouw zich eerder tegenover de kinderen heeft opgesteld. De man wijst in dit verband op zijn stellingen over weigerachtigheid van de vrouw en op het gevaar van ontvoering van het kind door de vrouw.
Onderdeel 2.3.7voegt hieraan toe dat de Raad voor de kinderbescherming slechts de periode vanaf 2014 van belang vond. De Raad heeft evenmin de periode tussen de sluiting van het onderzoek op 22 september 2015 en de mondelinge behandeling bij het hof op 9 juni 2017 onderzocht. De man benadrukt dat een rapport van de Raad voor de kinderbescherming slechts een beperkte geldigheidsduur heeft.
per saldogoed met haar gaat in de gezinssituatie, op school en op het sociale vlak. De klacht faalt.
Onderdeel 2.3.11klaagt dat de in rov. 4.10 genoemde omstandigheid dat de school van [dochter 1] een positieve samenwerking met de vrouw ervaart, nog geen reden is om de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] bij de vrouw (en niet bij de man) te bepalen. Volgens de man was er ook sprake van een positieve samenwerking toen [dochter 1] haar hoofdverblijfplaats nog bij hem had. De omstandigheid dat [dochter 1] door het verblijf bij de vrouw een band kan opbouwen met (haar halfzuster) [dochter 2] , kan volgens de man evenmin de genomen beslissing dragen. Het opbouwen van die band met [dochter 2] is immers ook mogelijk indien de hoofdverblijfplaats van [dochter 2] bij de man zou worden bepaald of indien de vrouw zou meewerken aan regelmatige omgang tussen de man en [dochter 2] .
Onderdeel 2.4.2stelt dat wanneer een of meer klachten over de bepaling van de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] slagen, het oordeel in rov. 4.13 - 4.16 over de verzochte omgangsregeling niet in stand kan blijven. Deze klacht deelt het lot van de voorgaande klachten. Het middelonderdeel klaagt verder over onjuistheid van de vaststelling in rov. 4.14 dat [dochter 1] meer dan drie jaren bij de man heeft gewoond. Dit is een herhaling van onderdeel 2.3.8 en faalt om dezelfde reden. Ik verwijs naar hetgeen daarover is opgemerkt in de alinea’s 2.42 – 2.43.
Onderdeel 2.4.7klaagt eveneens over onbegrijpelijkheid van genoemd oordeel, ditmaal met het argument dat in discussie was of de bij beschikking van 16 februari 2017 vastgestelde begeleide omgangsregeling niet uitvoerbaar was doordat de ID-kaart van [dochter 1] zoek was [38] .
Onderdeel 2.4.9voegt hieraan toe dat onjuist althans onbegrijpelijk is dat het hof de omgang tussen de man en [dochter 1] beëindigt, in plaats van deze op te starten. Volgens het middelonderdeel is er geen sprake van een van de ontzeggingsgronden genoemd in art. 1:377a lid 3 BW.
Onderdeel 2.4.10noemt het oordeel dat man niet aan omgang wil meewerken, onbegrijpelijk in het licht van het (subsidiaire) verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling.
Onderdeel 2.5bevat een algemene klacht, gericht tegen de overwegingen in rov. 4.10 over het verloop van het begeleide omgangstraject bij Stichting Combinatie Jeugdzorg (SCJ) medio juli 2015 en het daarop gebaseerde oordeel dat het aan de man te wijten is dat dit traject niet tot contact tussen [dochter 1] en de vrouw heeft geleid. Deze algemene klacht is uitgewerkt onder 2.5.1 - 2.5.3.
Onderdeel 2.5.2voegt hieraan toe dat het de taak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was, over dit geschilpunt een oordeel te geven. Om die reden had het hof in rov. 4.10 niet zonder meer het oordeel mogen overnemen dat het aan de man te wijten is, dat de omgang niet van de grond is gekomen. Volgens het onderdeel is om deze reden onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, de volgende vaststelling in rov. 4.10:
sowiesostarten. De toelichting op deze klacht citeert uit een door het hof genoemde e-mail van de man van 12 augustus 2015. Het middelonderdeel klaagt dat onjuist is, althans onvoldoende gemotiveerd, de overweging die luidt:
onvoorwaardelijkemedewerking heeft verleend aan begeleide omgang. De klachten onder 2.5 falen.
onderdeel 2.6.1stelt de man dat hij in de cassatieprocedure die tot de beschikking van de Hoge Raad van 7 juli 2016 heeft geleid met toenmalig middelonderdeel 2.4 was opgekomen tegen de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 augustus 2016 voor zover deze betrekking had op (de mate van medewerking van de man aan) het uitvoeren van de opdracht van de bijzondere curator.
Onderdeel 2.6.2klaagt dat het hof in rov. 4.10 heeft miskend dat dit in de (B-)procedure na cassatie en verwijzing nog moest worden beoordeeld. Op dit punt is het hof volgens de klacht buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen getreden.
Onderdeel 2.7.1verwijst naar hetgeen de man in het kader van grief III had gesteld over het verloop van de ondertoezichtstelling en benadrukt dat de vrouw tegen die stellingen nagenoeg geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd.
Onderdeel 2.7.2klaagt dat in elk geval de motivering van dit oordeel tekort schiet.
Onderdeel 2.8.1dient ter inleiding en bevat geen klacht. Wel wordt daarin verwezen naar beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 27 juli 2016 [48] en 16 februari 2017 waarin verzoeken van de vrouw tot toekenning van het eenhoofdig gezag zijn afgewezen [49] . Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, oordelend op 19 december 2017, was aan die beschikkingen niet gebonden.
Onderdeel 2.8.4sluit hierbij aan met de klacht dat het hof de stelling dat de man “in zijn recht stond”, had moeten aanmerken als tegenbewijs tegenover het bewijs dat het hof heeft ontleend aan de (toen nog niet onherroepelijke) strafrechtelijke veroordeling van de man ter zake. Het middelonderdeel voegt hieraan toe dat een verdachte voor onschuldig moet worden gehouden totdat de strafrechtelijke veroordeling onherroepelijk is geworden.
nietmet elkaar zijn gehuwd [51] . Bij toewijzing van het beëindigingsverzoek bepaalt de rechter aan wie van beide ouders het gezag toekomt. Het verzoek tot beëindiging kan slechts worden toegewezen indien de omstandigheden sinds het begin van het gezamenlijk gezag zijn gewijzigd of indien bij het nemen van de beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens (art. 1:253n lid 1 BW). Op grond van het tweede lid van art. 1:253n BW zijn op de beoordeling van het verzoek de criteria van 1:251a lid 1 BW overeenkomstig van toepassing. Deze criteria zijn: (a) een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen (het zgn. ‘klem’-criterium), en (b) dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind is (het zgn. noodzakelijkheidscriterium). In het algemeen is de rechter terughoudend ten aanzien van het wijzigen van een gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag [52] . Enkel het ontbreken van goede communicatie tussen de ouders, in het bijzonder in de (soms turbulente) periode waarin de scheiding nog moet worden afgewikkeld, is daarvoor in het algemeen niet voldoende [53] . In de vakliteratuur is uit de appelrechtspraak met betrekking tot het klemcriterium geconcludeerd dat voor de rechter een zwaarwegend argument blijkt te zijn: dat een met gezag belaste ouder bij herhaling toestemming heeft geweigerd om bepaalde beslissingen ten behoeve van het kind te nemen of daarvoor een handtekening te zetten [54] . Als voorbeelden van toepassing van het noodzakelijkheidscriterium is onder meer een beschikking genoemd van het gerechtshof Amsterdam van 8 augustus 2017, waarin werd overwogen dat belangrijke beslissingen over het kind genomen moeten worden en dat het overleg tussen de ouders en de besluitvorming daarover adequaat moeten kunnen plaatsvinden. In het toen beoordeelde geval moest ernstig rekening ermee worden gehouden dat zij hiertoe niet binnen afzienbare tijd in staat zouden zijn [55] .
Onderdeel 2.8.12bevat geen zelfstandige klacht en behoeft geen verdere bespreking.
onderdeel 2.9.1. Grief VII luidde: “Ten onrechte negeert de rechtbank de (gegronde) klachten van de man bij de raad resp. gaat zij (deels) uit van de juistheid van het raadsrapport en -advies.” Volgens het middelonderdeel heeft de man met deze grief de wijze waarop de Raad voor de kinderbescherming het onderzoek heeft verricht in hoger beroep bestreden als incompleet, onjuist en te zeer gericht op het resultaat, te weten dat de hoofdverblijfplaats wordt bepaald bij de vrouw. In de toelichting op deze klacht geeft de man een uitvoerige opsomming van zijn bezwaren. Daarnaast klaagt het middelonderdeel dat het onderzoek, gelet op de tussenbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 april 2014, ten onrechte is verricht door de vestiging Eindhoven van de Raad voor de kinderbescherming in plaats van door de vestiging Breda. Volgens de man is de Raad bij zijn onderzoek uitgegaan van een vraagstelling die beperkter is dan die, welke in de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant was geformuleerd.
Subonderdeel 2.12 onder Ivermeldt dat de man en zijn advocaat op 4, onderscheidenlijk 24 augustus 2017 om afgifte van een afschrift van het proces-verbaal hebben verzocht. Eerst op 20 december 2017 is een afschrift van het proces-verbaal verstrekt. Vervolgens heeft de advocaat van de man om uitwerking van de geluidsopname en aanvulling van het proces-verbaal verzocht, maar dat verzoek is door het hof bij brief van 8 februari 2018 afgewezen. Indien het hof niet alsnog een aanvullend proces-verbaal verstrekt, verzoekt de man de Hoge Raad als feitenrechter op te treden (
subonderdeel 2.12 onder II).
Subonderdeel 2.12 onder IIIomvat een lijst met uitlatingen die volgens de man in het proces-verbaal ontbreken.
aanvullend verzoekschrift in cassatie [64] omvat, na een inleiding, de onderdelen 1A – 1G op blz. 6 – 16. De daarin geformuleerde klachten strekken tot aanvulling van de onderdelen 2.2 – 2.5, 2.8 en 2.3.9 in het oorspronkelijke cassatieverzoekschrift. Zij monden uit in de klacht dat het hof ten onrechte, want in strijd met art. 149 Rv Pro, feiten als vaststaand heeft beschouwd, nu uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat die feiten tijdens de mondelinge behandeling zijn betwist.
Onderdeel 1A(ter aanvulling op onderdeel 2.2) is gericht tegen de afwijzing in rov. 4.7 van het verzoek van de man om nader onderzoek op de voet van art. 810a Rv. Onder verwijzing naar in het aangevulde proces-verbaal vermelde uitlatingen (zoals geciteerd in de inleiding van het aanvullend verzoekschrift onder 1.1, a t/m n) betoogt de man dat het hof tijdens de mondelinge behandeling heeft geconstateerd, zij het indirect, dat de Raad voor de kinderbescherming geen juist onderzoek heeft verricht. Uit de bedoelde uitlatingen blijkt volgens het onderdeel dat niet de man, maar juist de vrouw degene was die weigerde medewerking te verlenen aan een omgangstraject.
Onderdeel 1B(ter aanvulling op de onderdelen 2.3 en 2.5) is gericht tegen het oordeel van het hof over de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] in rov. 4.9 - 4.10. Onder verwijzing naar de in de inleiding van het aanvullend verzoekschrift onder 1.1, f t/m n vermelde uitlatingen uit het aanvullend proces-verbaal stelt de man dat tijdens de mondelinge behandeling zou zijn gebleken dat de vrouw niet wilde meewerken aan het begeleide omgangstraject bij SCJ terwijl dat de man wél hieraan wilde meewerken zonder nadere voorwaarden te stellen. Verder stelt de man op basis van de onder 1.1, onder q t/m t, vermelde uitlatingen dat de man heeft medegedeeld dat de ID-kaart van [dochter 1] zoek was, de omgangsregeling hierdoor onuitvoerbaar was, dat de vrouw toen de ID-kaart als vermist wilde opgeven en dat de man daarmee heeft ingestemd.
Onderdeel 1C(ter aanvulling op onderdeel 2.4) is gericht tegen het oordeel in rov. 4.15 en 4.16 over het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling met [dochter 1] . Het onderdeel herhaalt dat de bij beschikking van 16 februari 2017 bepaalde omgangsregeling onuitvoerbaar was, omdat de ID-kaart zoek is geraakt. Daarnaast voert de man aan dat de G.I. tijdens de mondelinge behandeling duidelijk heeft aangegeven wel mogelijkheden te zien tot contact, dat Kompaan daarvoor de juiste instantie is en dat daar de slag zou moeten liggen omdat zij tevens aan ouderschapsbegeleiding doen. Ook voert het middelonderdeel aan dat de voogd heeft aangegeven dat zij bezig is met contactherstel voor [dochter 1] met de man en dat daaruit volgt dat de voogd dit contact wél in het belang van [dochter 1] acht.
Onderdeel 1D(ter aanvulling op onderdeel 2.8) is gericht tegen de vaststelling in rov. 4.19 dat de man weigert begeleid contact met [dochter 1] tot stand te brengen en dat hij heeft geweigerd de ID-kaart van [dochter 1] aan de vrouw af te geven, alsmede tegen het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat dat de moeder met eenhoofdig gezag over [dochter 1] belast zal worden.
Onderdeel 1E(ter aanvulling op onderdeel 2.3.9) is gericht tegen de vaststelling in rov. 4.10 dat van de zijde van de vrouw onweersproken is gesteld dat het goed gaat met [dochter 1] in het gezin van de vrouw, op school en op sociaal vlak. Het onderdeel verwijst naar een reeks mededelingen van de vrouw, de voorzitter van het hof, de man, de Raad voor de kinderbescherming en de gezinsvoogd, die in het aanvullend proces-verbaal zijn vermeld en de de daaraan gehechte brief van mr. Kousedghi van 21 maart 2018. Die mededelingen zijn volgens het onderdeel niet betwist. Volgens de klacht lieten zij geen andere conclusie toe dan het
nietgoed gaat met [dochter 1] : thuis noch op school.
Onderdeel 1Fklaagt dat het hof bij zijn oordelen over de onttrekking van [dochter 1] aan het opzicht en wettig gezag van de vrouw in rov. 4.15, 4.19 en 4.20 is voorbijgegaan aan de mededeling van de man ter zitting dat hij met toestemming van de vrouw met [dochter 1] naar het buitenland is gereisd. Dit is volgens het onderdeel een essentiële stelling, die de vrouw toen niet heeft weersproken. Om die reden had het hof, volgens de klacht, de juistheid hiervan als tussen partijen vaststaand moeten aannemen.
Onderdeel 1Gis gericht tegen de vaststelling dat de man niet in gesprek wilde gaan met de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling. Het onderdeel verwijst naar mededelingen van de man en deze jeugdbeschermer die zijn vermeld in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, in combinatie met het aanvullend procesverbaal en de brief van de advocaat van 21 maart 2018. Volgens de man is het niet zo dat hij niet communiceert met de jeugdbeschermer, maar was hij, de man, van mening dat omgang moest worden uitgevoerd overeenkomstig de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2015. Volgens de man heeft de jeugdbeschermer slechts opgemerkt dat de man niet naar de intakegesprekken en naar hem toe wil komen, omdat de man vasthoudt aan, wat hij noemt: de ‘rechtens juiste stand van zaken’.
Onderdeel 2.16(de nummers 2.13 – 2.15 ontbreken in het cassatieverzoekschrift) heeft betrekking op de veroordeling van de man in de kosten van de procedure in het principaal en incidenteel hoger beroep. Het middelonderdeel stelt voorop dat het slagen van een of meer van de voorgaande klachten reeds meebrengt dat de kostenveroordeling niet in stand kan blijven. Die klacht deelt het lot van de voorgaande klachten.
kaninhouden [67] . Indien de rechter van deze bevoegdheid gebruik maakt, dient hij of zij rekening te houden met de regels van art. 237 Rv Pro [68] . De beslissing van de rechter om wel of geen gebruik te maken van de bevoegdheid tot compensatie van proceskosten kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst [69] .
Onderdeel 3is gericht tegen rov. 4.20 - 5.4 en tegen het dictum van de beschikking van 19 december 2017. Het mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft verder geen bespreking.