Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 27 juni 2017
[naam 1] ,
gevestigd te Dordrecht,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Hierbij deel ik
verklaring einde dienstverband”) bevat het besluit
primair, daarbij stellende dat er tussen partijen, als gevolg van een ononderbroken keten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, per 1 juni 2015 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen, een verklaring voor recht ter zake met doorbetaling van loon c.a. en ii)
subsidiairveroordeling van H3O tot het aanbieden van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
“de werknemer met ingang van de bedoelde einddatum geacht [wordt] te zijn benoemd in een verlengd dienstverband voor bepaalde tijd onder dezelfde voorwaarden als het voorgaande dienstverband”.De aanzegging was dus nodig om het beoogde einde van de arbeidsovereenkomst tot stand te brengen. Anders gezegd: het eindigen van de arbeidsovereenkomst was het door de aanzegging beoogde rechtsgevolg. Daarmee is deze aanzegging aan te merken als een opzegging.
“Het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 alsmede artikel 665 en Pro afdeling 9 van Boek 7, titel 10 van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze luidden de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wwz”, van toepassing blijven. Daaruit volgt dat de (nieuwe) vervaltermijn van art. 7:686a lid 4 BW niet van toepassing is op de opzegging van 23 april 2015. In zoverre slaagt grief II.
1 juli 2015 geldende recht, heeft geresulteerd in het einde van de arbeidsovereenkomst.
“in te gaan op het bovenstaande”. Aldus heeft [appellante] - mede in aanmerking genomen de beschermingsgedachte van het opzegverbod - op voldoende kenbare wijze aangegeven zich niet bij de opzegging neer heeft gelegd en daarbij ook een link gelegd met haar arbeidsongeschiktheid. Dat de woorden “nietigheid”, “vernietigbaarheid”, “opzegverbod” niet expliciet zijn gehanteerd en/of [appellante] niet expliciet heeft gewezen op de onmogelijkheid om vanwege haar ziekte op te zeggen, leidt niet tot een ander oordeel. Bij dit oordeel heeft het hof er (mede) rekening mee gehouden dat [appellante] een ‘leek’ is op het gebied van het arbeidsrecht en door H3O met de brief van 23 april 2015 onjuist is geïnformeerd dat haar arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen per 1 augustus 2015, terwijl in feite vanaf 1 juni 2015 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou ontstaan.
verklaring einde dienstverband” wijs daar ook op.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt H3O in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 408,08 aan verschotten en € 2.235,-- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.