ECLI:NL:GHDHA:2017:1967
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- J.J.J. Engel
- G.J. van Leijenhorst
- Chr. Th.P.M. Zandhuis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de crisisheffing in hoger beroep wegens vermeende strijd met wet LB en EVRM
Belanghebbende, onderdeel van een groot concern in bouw, vastgoed, infrastructuur, energie en telecom, betwistte de pseudo-eindheffing (crisisheffing) over het jaar 2013 op grond van artikel 32bd Wet LB 1964. De afdracht van € 90.074 werd door de inspecteur bevestigd en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de regeling in strijd was met artikel 1 en Pro het systeem van de Wet LB, artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM vanwege terugwerkende kracht en disproportionele last, en het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 14 EVRM Pro, artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 IVBPR Pro. Het Hof verwierp deze bezwaren, verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016 dat de crisisheffing en de economische dubbele heffing als verenigbaar met de wet beschouwt.
Het Hof oordeelde dat de terugwerkende kracht van de regeling gerechtvaardigd was door de urgente begrotingsnood en de noodzaak van een eenvoudige uitvoerbare regeling. De individuele last was niet buitensporig omdat belanghebbende geen bijzondere omstandigheden aanvoerde. Ook het discriminatieverweer faalde omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de gekozen criteria objectief en praktisch waren.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.