Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant] ,
1.[geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
: “Bij een aan huis gebonden beroep, zoals een schoonheidssalon is,
IIA, hof) vastgestelde dagen en tijden op het perceel van [appellanten] begeeft;
“de erfdienstbaarheden waardoor de feitelijke toestand van de woningen, behorende tot het blok woningen waarvan het verkochte deel uitmaakt, ten opzichte van elkaar rechtens gehandhaafd blijft….”
de erfdienstbaarheden waardoor de feitelijke toestand van de woningen, behorende tot het blok woningen waarvan het verkochte deel uitmaakt, ten opzichte van elkaar rechtens gehandhaafd blijft….”, ook in het licht van de bewoordingen van de akte, niet kan worden afgeleid dat hiermee (impliciet) een recht van overpad wordt gevestigd. Dat de feitelijke situatie mogelijk reeds voldoende duidelijk maakt dat de bewoners van [adres 2] gebruik moeten maken van de voortuin van [adres 1] om hun woning te bereiken, brengt nog niet mee dat een recht van overpad moet zijn gevestigd. Dat gebruik kan immers ook gebaseerd zijn op een onderlinge afspraak of gedogen.
krachtens erfdienstbaarheid(en dus niet op een andere grond) bevoegd beschouwde en zich ook redelijkerwijs bevoegd mocht beschouwen tot gebruik van de voortuin van [appellanten] om zijn woning te bereiken (HR 3 mei 1996,ECLI:NL:HR:1996:ZC2060, NJ 1996, 501 en HR 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6588, NJ 2010, 294). [appellanten] heeft met name in de memorie van antwoord in het incidenteel appel gemotiveerd betwist dat daarvan sprake is. In aanmerking nemende dat [geïntimeerden] hierop niet heeft gereageerd, acht het hof haar stelling dat sprake is van bezit te goeder trouw onvoldoende onderbouwd.
g.