Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 21 november 2017
NBK Forwarding B.V.,
Groeneveld ICT Solutions B.V., voorheen genaamd GreenCat B.V.,
advocaat: mr. B.A. Bendel te Utrecht.
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
a. NBK drijft door middel van een aantal vennootschappen een onderneming gericht op transport en logistiek.
b. GreenCat drijft een IT onderneming. Zij richt zich op de licentiering, implementatie en doorontwikkeling van softwareapplicaties die geschikt zijn voor de ondersteuning van bedrijfsprocessen van transportondernemingen.
c. Op 27 augustus 2009 hebben NBK en GreenCat een overeenkomst gesloten voor het gebruik, de implementatie en doorontwikkeling van een softwareapplicatie genaamd ‘Cat4lntermodelForwarder’. Aan de overeenkomst zijn als bijlage algemene voorwaarden gehecht. Deze zijn op de overeenkomst van toepassing.
d. Tussen partijen is een geschil gerezen ter zake van de (uitvoering van de) overeenkomst. De rechtbank Rotterdam heeft op 11 september 2013 een vonnis gewezen waarin de vordering van GreenCat in conventie (in hoofdsom tot betaling van openstaande facturen) is afgewezen en in reconventie voor recht is verklaard dat GreenCat jegens NBK toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en GreenCat is veroordeeld tot vergoeding van geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
e. GreenCat is van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 6 oktober 2015 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis vernietigd voor zover de vordering in conventie volledig is afgewezen en opnieuw rechtdoende NBK veroordeeld tot betaling van € 20.000, te vermeerderen met de overeengekomen rente over dit bedrag van 1,5% per maand vanaf 18 maart 2010. Het vonnis is voor het overige bekrachtigd met veroordeling van GreenCat in de proceskosten.
f. De onderhavige procedure betreft de schadestaatprocedure.
“
Behoudens in gevallen van opzet of grove schuld zijdens GreenCat is GreenCat niet aansprakelijk voor (i) indirecte schade (daaronder begrepen maar niet beperkt tot gevolgschade, gederfde winst, gemiste besparingen, verlies van en schade aan gegevens(bestanden) en schade door bedrijfsstagnatie) alsmede (ii) enige andere schade die in totaal meer bedraagt dan het door GreenCat aan Klant uit hoofde van (het betreffende deel van) de betreffende Overeenkomst gefactureerde en door Klant aan GreenCat betaalde totaalbedrag (exclusief B.T.W.), waarbij voornoemd uit te keren (totaal)bedrag maximaal EUR 200.000 (zegge: tweehonderdduizend Euro) per kalenderjaar bedraagt. Onder ‘andere schade’ als genoemd in de vorige volzin wordt uitsluitend verstaan: (i) de redelijke, betaalde kosten die Klant heeft moeten maken (a) ter vaststelling van de oorzaak en de omvang van die ‘andere schade’, (b) ter voorkoming of beperking van die ‘andere schade’ mits die kosten daadwerkelijk hebben geleid tot die voorkoming of beperking ervan, en (c) om de prestatie van GreenCat aan de betreffende Overeenkomst te laten beantwoorden, voor zover die Overeenkomst niet door Klant is ontbonden, (ii) redelijke, betaalde kosten die klant maakt en/of heeft gemaakt in gevallen als beschreven in artikel 11.2, en (iii) materiële schade aan Zaken en/of andere zaken van Klant en/of derden welke in direct verband staan met door GreenCat geleverde Zaken en/of Diensten, dit met uitsluiting van schade aan Programmatuur en gegevensbestanden.”
Een en ander overziende, komt de rechtbank tot de, hiervoor onder 3 al weergegeven, uitleg van het exoneratiebeding en antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre het beroep op de exoneratie in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
per jaarin het laatste deel van die zin. Bij die lezing past het door de rechtbank gegeven oordeel dat de uitsluiting van de schade in deze zaak slechts mag zien op de schade die boven de factuurbedragen uitstijgt. Voorts overweegt het hof naar aanleiding van de grieven nog het volgende.
NBK brengt tegen de overwegingen van de rechtbank in dat in dit geval geen sprake is van een geringe beloning van de leverancier, GreenCat, en met name niet dat er zeer grote aansprakelijkheidsrisico’s zouden zijn. Daartoe verwijst NBK naar het vervolg van de memorie van grieven waaruit zou blijken dat het GreenCat zelf is die de risico’s heeft geschapen. NBK verliest hierbij uit het oog dat de rechtbank heeft onderzocht en beoordeeld of de exoneratie in zijn algemeenheid de toets van artikel 6: 248 lid 2 BW kan doorstaan. De omstandigheden in een individueel geval kunnen echter voor dat geval tot een ander oordeel leiden. Wat dat betreft is de stelling van NBK dat GreenCat zelf de risico’s heeft geschapen onvoldoende specifiek, mede in ogenschouw genomen dat de exoneratie in het geheel niet geldt in geval van opzet of grove schuld. Voor zover zij beoogt te verwijzen naar haar stellingen over in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld van GreenCat, aan de orde in de grieven 5 en 6, kan haar dit niet baten, zoals uit de bespreking van die grieven zal blijken.
Voorts voert NBK aan dat geen sprake is van een fout van de leverancier, maar van een willens en wetens toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst. Het hof volgt dit niet, hetgeen ook zal blijken uit de bespreking van de grieven 5 en 6 die op dit onderwerp betrekking hebben.
NBK stelt nog dat het risico van het onverbindend verklaren van de volledige exoneratie voor de partij is die zich, achteraf gezien, onrechtmatig van de exoneratie heeft bediend. Deze stelling kan reeds hierom niet worden gevolgd omdat, zoals eveneens uit de bespreking van de grieven 5 en 6 volgt en verder ook onvoldoende is onderbouwd, van een onrechtmatig bedienen van de exoneratie niet kan worden gesproken.
NBK betoogt dat het oordeel van de rechtbank uit de pas loopt met andere exoneratiebedingen in de betrokken markt. NBK wijst op de algemene voorwaarden die zijn opgesteld door de brancheorganisatie Nederland ICT (voorheen Fenit) en de door de Rijksoverheid opgestelde en gehanteerde Arbit 2014 voorwaarden. GreenCat wijst van haar kant ook op de Fenit voorwaarden (Fenit 2003) en de Cosso voorwaarden 1990. Zij stelt dat de Arbit voorwaarden meer vanuit het perspectief van de afnemer zijn opgesteld, maar dat ook daarin wordt uitgegaan van een maximering van aansprakelijkheid gelijk aan een vermenigvuldigheidsfactor over de berekende vergoeding en wel voor alle andere schade dan persoons- en zaakschade. Al deze algemene voorwaarden overziende, waarbij opvalt dat ook in de Fenit voorwaarden aansprakelijkheid voor indirecte schade volledig is uitgesloten, kan het hof het betoog van NBK niet volgen. Het exoneratiebeding van GreenCat wijkt niet wezenlijk af van exoneratiebedingen in andere algemene voorwaarden die binnen de branche worden gebruikt.
NBK wijst er ten slotte op dat de rechtbank in het vonnis onder 4.25 en 4.26 overweegt dat de daar besproken schadeposten indirecte schade betreffen waarvoor de aansprakelijkheid is uitgesloten. Dat vindt zij in tegenspraak met het oordeel van de rechtbank over de aansprakelijkheid voor indirecte schade. Het hof volgt deze stellingen niet. In 4.25 geeft de rechtbank het standpunt van GreenCat weer. Overweging 4.26 betreft volgens NBK andere schade dan indirecte schade volgens het exoneratiebeding. Hierop ziet grief 10, waarover hierna meer.
In haar overweging rept de rechtbank van een onvoldoende prikkel bij de leverancier om haar verplichtingen na te komen. GreenCat merkt op dat zij geen prikkel nodig had; zij heeft er alles aan gedaan om de overeenkomst na te komen en om NBK aan nakoming jegens haar te houden. GreenCat miskent dat het hier gaat om een onderdeel van de overwegingen van de rechtbank over dergelijke exoneraties in het algemeen. Of in dit geval GreenCat (door de dreiging van aansprakelijkheid voor schade) geen prikkel nodig had om de overeenkomst deugdelijk na te komen, kan in het midden blijven.
Tegen het oordeel over de exoneratie van aansprakelijkheid voor indirecte schade voert GreenCat slechts aan dat bij overeenkomsten tussen professionele partijen in de regel extra terughoudendheid gepast is bij de toetsing aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en verwijst GreenCat naar het gestelde onder 4.1.5. en verder in de memorie van antwoord. Het hof acht deze klacht onvoldoende gespecificeerd om daaruit een, ook voor NBK voldoende duidelijke, grief te distilleren. In het bijzonder is niet aangevoerd – en ook niet gebleken – dat de rechtbank onvoldoende terughoudend heeft getoetst of geen rekening heeft gehouden met de professionaliteit van de contractanten en de branche.
Tegen het oordeel van de rechtbank voor zover dit een honorering behelst van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, beroept GreenCat zich op meerdere stellingen die in feite de vraag betreffen of GreenCat is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, met name bij de “Go Live”. De rechtbank heeft hierover al een beslissing genomen in haar vonnis van 11 september 2013 dat het hof in hoger beroep in zoverre heeft bekrachtigd. In deze schadestaatprocedure moet worden uitgegaan van het oordeel van de rechtbank over bedoelde stellingen.
GreenCat klaagt over de overweging onder 4.9 waarin de rechtbank, kennelijk in het kader van haar toets aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, gewicht toekent aan de omstandigheid dat NBK aan GreenCat de gelegenheid heeft gegeven om zonder enige restrictie kennis te nemen van het bedrijf en de interne processen zodat GreenCat zich een goede indruk kon vormen over welke functionaliteiten het softwareproduct diende te beschikken. Deze omstandigheid heeft de rechtbank als onweersproken aangenomen. GreenCat acht een en ander van minder belang dan de gang van zaken tijdens de “Go Live”. De stellingen hieromtrent kunnen in deze schadestaatprocedure echter niet meer aan de orde komen, zoals hiervoor vastgesteld. Verder mag volgens GreenCat het feit dat zij zonder enige restrictie kennis heeft kunnen nemen van het bedrijf en de bedrijfsprocessen, niet betekenen dat zij ook de verantwoordelijkheid zou dragen voor de kwaliteit van gegevensbeheer en gegevens bij NBK en dat de applicatie de problemen wel even zou oplossen. De aangevallen overweging gaat niet zo ver. De rechtbank heeft hiermee tot uitdrukking gebracht en terecht van gewicht geacht dat GreenCat, die een deels op maat gemaakte applicatie ten behoeve van de bedrijfsvoering van NBK diende te leveren, van NBK de gelegenheid heeft gekregen over de daarvoor vereiste (bedrijfs)gegevens te beschikken. Voor het overige behelst de grief onder 3.1.7. een klacht die wederom wordt toegelicht met stellingen die in deze schadestaatprocedure niet meer aan de orde zijn.
Nu in dezelfde algemene voorwaarden zowel een garantie is opgenomen voor een resultaat en herstel van gebreken als een exoneratie van aansprakelijkheid voor schade en in deze exoneratie geen uitzondering wordt gemaakt voor verstrekte garanties, is het hof aan de hand van de zogenoemde Haviltex maatstaf van oordeel dat de exoneratie ook geldt voor het geval de aansprakelijkheid voor schade grond vindt in het niet leveren van een prestatie die in de overeenkomst wordt gegarandeerd. De garantie is gegeven voor het resultaat (deugdelijke functionaliteit van de programmatuur en het uitvoeren van het herstel), terwijl de exoneratie ziet op de schadevergoeding indien – in dit gegarandeerde resultaat – tekortgeschoten is. Daarbij maakt geen verschil dat GreenCat op het gebied van het leveren van een softwareproduct deskundig is en NBK niet. Een andere vraag is of in de omstandigheden van het geval op de exoneratie een beroep kan worden gedaan, waarbij ook de inhoud en strekking van een verstrekte garantie van belang kunnen zijn. Deze vraag zou passen in de toetsing van het beroep op de exoneratie aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid waarop aan de zijde van NBK de grieven 2 en 3 betrekking hebben. De toelichting op deze grieven houdt niets in dat noopt tot een andere beoordeling dan onder 7 aangegeven over de toepasselijkheid van de exoneratieclausule.
In incidentele grief 3 doet GreenCat een beroep op het geval, aan de orde in het arrest van de Hoge Raad van 11 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX9830), dat een vergelijking als hiervoor genoemd aan het licht brengt dat de nieuwe toestand voor de partij die schadevergoeding verlangt geen achteruitgang inhoudt ten opzichte van de oude, en die partij er geen rechtens te respecteren belang bij heeft dat de oude toestand wordt hersteld, in welk geval de rechter tot het oordeel kan komen dat er geen schade is geleden. GreenCat voert aan dat niet is gesteld of gebleken dat de toestand van NBK nadat het schadeveroorzakende geval zich heeft voorgedaan, een achteruitgang heeft betekend ten opzichte van de oude situatie. GreenCat stelt dat in het rapport onduidelijk is of NBK schade pretendeert ten opzichte van de oude situatie of ten opzichte van de situatie zoals zij deze graag had gezien. In deze stelling kan het hof GreenCat niet volgen. In het rapport wordt per onderdeel van de wanprestatie van GreenCat de extra tijd (en kosten) berekend die zijn gemoeid met het herstel van de door de wanprestatie veroorzaakte gebreken. Het klaarblijkelijke doel daarvan is dat het softwaresysteem bij NBK zou (kunnen) gaan functioneren op een wijze die zou hebben bestaan als de wanprestatie van GreenCat was uitgebleven. Het (aanzienlijke) schadebedrag dat in het rapport wordt berekend, weerspreekt dat uit het rapport zou blijken dat de nieuwe toestand geen relatieve achteruitgang inhoudt.
De rechtbank heeft de vorderingen tot vergoeding van kosten voor het onderzoek naar de oorzaak en omvang van de schade in lijn met haar juiste oordeel (zie hiervoor onder 4) dat het exoneratiebeding op dit punt uitgelegd moet worden overeenkomstig artikel 6: 96 lid 2 BW, deels afgewezen op grond van de overweging dat deze kosten niet kwalificeren als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van genoemd artikel en bovendien niet op een controleerbare en inzichtelijke wijze zijn onderbouwd. Tegen het eerste deel van deze cumulatieve redengeving grieft NBK niet zodat de grief niet tot vernietiging van het vonnis kan leiden. Ten overvloede wordt overwogen dat NBK ook in hoger beroep nalaat dit deel van haar vordering (dus dat deel dat niet al door de rechtbank is toegewezen voor schadeonderzoek dat volgt uit de tabel vóór Annex 1 waarnaar de grief verwijst) voldoende te onderbouwen.
GreenCat meent voorts dat de kosten niet redelijk zijn in het licht van de periode waarop de onderzoekshandelingen betrekking hebben nu de rechtbank heeft geoordeeld dat NBK niet over een periode van vijf jaar maar over een periode van twee jaar (2010 en 2011) schadevergoeding kan vorderen. Het hof kan hierin niet meegaan voor zover het de kosten van schadeonderzoek 2010 en 2012 betreft. NBK kon bij het onderzoek naar de omvang van de schade toen redelijkerwijs nog niet voorzien in hoeverre de schade voor vergoeding in aanmerking zou komen, dit te meer nu partijen van mening verschilden over de exoneratie. De grief treft echter wel doel voor zover de kosten voor schadeonderzoek later dan in 2012 gemaakt zijn. Zoals door de rechtbank is overwogen, was het maximale bedrag van de te verhalen schadevergoeding reeds met de schade uit 2010 en 2011 overschreden. Dit geldt niet alleen voor de lengte van de periode waarover NBK door toedoen van GreenCat schade heeft geleden – ter zake daarvan heeft de rechtbank een schadebeperkingsplicht aangenomen, tegen het bestaan waarvan NBK heeft gegriefd hetgeen het hof verder in het midden laat – maar ook voor het bereiken van het schadeplafond vanwege het exoneratiebeding. Dit plafond was – zo blijkt al uit de schadebegrotingen van 2010 en 2011 – reeds vóór 2012 bereikt. Het hof acht het niet redelijk dat NBK schades laat begroten waarvan zij wist (of had behoren te weten) dat die niet verhaalbaar zouden zijn.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De gevorderde rente betreft de schadevergoeding die verschuldigd is wegens vertraging in de voldoening van de schadevergoeding (vgl. artikel 6:119 BW Pro). Het exoneratiebeding, hiervoor genoemd, ziet hierop niet, want dat beding betreft de schadevergoeding zelf en bestrijkt niet de vertraging in het verkrijgen van het schadevergoedingsbedrag. Dit betekent dat GreenCat wettelijke rente over de schadevergoeding verschuldigd is vanaf het moment waarop zij met de nakoming van de overeenkomst in verzuim was én de schade werd geleden. Het feit dat de omvang van de schade pas in een later stadium (na deze afzonderlijke schadestaatprocedure) precies is komen vast te staan, betekent niet dat niet werd voldaan aan de opeisbaarheid van het schadevergoedingsbedrag vanaf het moment waarop werd verzuimd na te komen en de schade werd geleden.
Omdat de toe te wijzen schadevergoeding eind 2011 was geleden, is de vordering ter zake van de wettelijke rente “per 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarop de totale schadevergoeding is geleden” (zoals bij memorie van grieven in 68 en eiswijziging gevorderd) toewijsbaar vanaf 1 januari 2012.
€ 196.390,00, vermeerderd met wettelijke rente zoals in de vorige overweging vastgesteld. Als de telkens overwegend in het ongelijk gestelde partij zal NBK de kosten van het principale beroep en GreenCat die van het incidentele beroep hebben te dragen. Het bewijsaanbod van GreenCat wordt in het licht van het voorgaande als niet ter zake dienend gepasseerd.