Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 23 januari 2018
[naam 1]
[naam 2],
De verdere loop van het geding
De verdere beoordeling van het hoger beroep
"onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling in staat is",wetenschap van het ontstaan zijn van een premieschuld. Artikel 23 Wet Pro Bpf 2000 noopt derhalve niet tot de door het Bpf gegeven uitleg. Daarbij komt dat uit artikel 2 lid 2 van Pro het Besluit meldingsregeling en de daarbij behorende toelichting blijkt dat – anders dan het Bpf veronderstelt – in een geval als dit de meldingstermijn van veertien kalenderdagen pas start nadat een premienota is verzonden en de voor betaling daarvan gegeven termijn is verstreken. Artikel 2 lid 2 bepaalt Pro immers:
In de eerste plaats bevat de e-mail niet meer dan het verzoek om voor de op dat moment opeisbare facturen een betalingsregeling te treffen omdat, aldus [appellanten] “de mogelijkheid niet aanwezig is om het openstaande bedrag geheel direct te voldoen”. Dat verzoek is niet, zeker niet zonder meer, gelijk te stellen met een melding van betalingsonmacht.
Verder ontbreekt in de e-mail de minimaal vereiste informatie over (“inzicht in”) de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de bijdrage niet kan worden betaald, terwijl die informatie niet mag ontbreken in een dergelijke melding.
Hoewel het hof daar minder zwaar aan zou tillen als dat het enige mankement zou zijn komt daar nog bij dat de e-mail niet, zoals vereist is, aan het Bpf, maar aan het door het Bpf ingeschakelde incassobureau is gericht.
het Bpfop de hoogte te stellen van die betalingsonmacht niet is gebleken; iv) Vesting Finance erop bedacht had moeten zijn dat [Schoonmaakbedrijf en glazenwasserij B.V.] (een MKB-bedrijf) niet op de hoogte was van de meldingsplicht aan het Bpf en de verstrekkende gevolgen van het niet correct melden; v) Vesting Finance desondanks [appellanten] niet op de meldingsplicht heeft gewezen, geldt dat dit [appellanten] niet kan baten.
De regeling van de melding van betalingsonmacht is duidelijk en een (indirect) bestuurder als [appellanten] moet geacht worden op de hoogte te zijn van een regeling over melding van betalingsonmacht dan wel in staat te zijn snel te achterhalen wat er van hem verlangd wordt als rekeningen van het Bpf niet tijdig betaald kunnen worden. Uit hetgeen [appellanten] in het kader van zijn beroep op redelijkheid en billijkheid in hoger beroep naar voren brengt vloeit niet voort dat het Bpf zich niet (onverkort) op de strikte regels omtrent de melding van betalingsonmacht kan beroepen.