ECLI:NL:GHDHA:2018:2366

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 september 2018
Publicatiedatum
13 september 2018
Zaaknummer
200.244.634/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 3 FwArt. 2:248 BWArt. 194 FwArt. 2:23c BW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling na opheffing faillissement en bestuurdersaansprakelijkheid

Appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, dat werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

De rechtbank baseerde haar oordeel mede op een schuld van €439.528,82 voortvloeiend uit bestuurdersaansprakelijkheid van Prohold Security Services B.V., die niet op de crediteurenlijst stond. Het hof oordeelde echter dat deze schuld terecht niet is opgenomen omdat het faillissement van Prohold was opgeheven wegens de toestand van de boedel en de curator was gedefungeerd, waardoor de vordering niet meer kan worden geïnd.

Het hof stelde vast dat appellant niet te goeder trouw was bij het ontstaan van een belangrijk deel van zijn schulden, maar dat hij inmiddels zijn financiële situatie onder controle heeft en voldoende inspanningen zal leveren om aan de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen.

Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en sprak de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit, met verwijzing naar de rechtbank voor uitvoering.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst appellant alsnog toe tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.244.634/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/553098 / FT EA 18/1008

arrest van 11 september 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. Tason Avila te Leiden.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 21 augustus 2018, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 augustus 2018, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Op 30 augustus 2018 heeft [appellant] de laatste stand van zaken met een aantal producties aan het hof toegezonden en op 3 september 2018 het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2018. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] nog het WSNP-verzoekschrift met bijlagen aan de rechtbank Rotterdam overgelegd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 september 2018. Verschenen is: [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 21 juni 2018 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex artikel 285 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 311.833,94.
2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw). De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen. De schulden komen grotendeels voort uit de ondernemingen die [appellant] heeft bestuurd. Blijkens het uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel was [appellant] onder andere bestuurder van de inmiddels gefailleerde vennootschappen RSVDV Holding B.V., Prohold Security Services B.V. (hierna: Prohold) en Prohold Special Security B.V. De faillissementen van Prohold en Prohold Special Security B.V. zijn beide opgeheven wegens de toestand van de boedel. Gebleken is dat [appellant] op grond van artikel 2:248 leden Pro 1 en 2 BW door de curator van Prohold persoonlijk aansprakelijk is gesteld voor het boedeltekort van Prohold. Dit betrof een bedrag van € 439.528,82, waarvan in het vonnis van de rechtbank Rotterdam naar aanleiding van een eerder WSNP verzoek van 22 maart 2017, is vermeld dat deze is ontstaan op 31 juli 2015. Deze schuld staat niet vermeld op de crediteurenlijst van het onderhavige WSNP-verzoek. Het achterwege laten van deze schuld op de lijst acht de rechtbank onjuist. De invordering van deze schuld en in het verlengde daarvan de opheffing van het faillissement heeft plaats gevonden omdat [appellant] onvoldoende verhaal bood. Feiten of omstandigheden die meebrengen dat aannemelijk is dat de aansprakelijkheid en daarmee de schuld aan de boedel van dat faillissement is komen te vervallen, zijn door [appellant] niet aangevoerd en evenmin gebleken. De schuld van
€ 439.528,82 is derhalve ten onrechte niet vermeld op de crediteurenlijst, aldus de rechtbank.
3. De grieven en argumenten van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat de schuld van € 439,528,82 op de crediteurenlijst vermeld dient te staan. Bij e-mail van 9 mei 2017 heeft de (voormalige) curator aan [appellant] een overzicht van de ingediende preferente en concurrente schuldvorderingen in het faillissement van Prohold gezonden. In dit overzicht staat de vordering van € 439.528,82 niet genoemd. Verder staat in de e-mail expliciet aangegeven dat de vorderingen de failliete vennootschap betreffen (welke vennootschap is opgeheven) en derhalve niet zien op de bestuurder van de failliet in privé. Door de opheffing van het faillissement is de vordering van de curator uit hoofde van
bestuurdersaansprakelijkheid komen te vervallen. Verder stelt [appellant] dat hij te goeder trouw is ten aanzien van de schulden die op de crediteurenlijst staan vermeld. Ten slotte doet hij een beroep op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw Pro.
4.
De grieven van [appellant] hebben de strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Ter zitting van het hof heeft [appellant] zijn standpunt toegelicht.
Het hof is van oordeel dat de schuld van € 439.528,82 terecht niet op de crediteurenlijst is opgenomen. Als gevolg van de opheffing van het faillissement van Prohold wegens de toestand van de boedel heeft Prohold opgehouden te bestaan en is de curator gedefungeerd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad vloeit voort dat de aansprakelijkheid van art. 2:248 BW Pro een aansprakelijkheid is jegens de boedel, waarvan alleen aan de curator de bevoegdheid toekomt deze in te stellen, alsmede dat de vordering zich niet leent voor cessie (HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5912, NJ 2009/438; HR 7 september 1990, NJ 1991/52). Dit betekent dat er thans geen rechtspersoon is waarvan de boedel deze vordering omvat en voorts dat degene die de vordering als enige kon instellen en geldend maken – de voormalige curator –, is gedefungeerd. Heropening van het faillissement na opheffing daarvan wegens de toestand van de boedel is niet mogelijk (vgl. art. 194 Fw Pro). Dat betekent dat, in elk geval voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, moet worden aangenomen dat [appellant] niet langer op grond van art. 2:248 BW Pro aansprakelijk wordt gehouden voor het boedeltekort van Prohold. Dat mogelijk, ingeval van een (nagekomen) bate van Prohold, de vereffening van Prohold kan worden heropend (art. 2:23c BW) met als gevolg dat de rechtspersoon dan herleeft voor zover dat voor de vereffening noodzakelijk is, leidt thans niet tot een andere conclusie. Niet kan worden aangenomen dat de vordering ex art. 2:248 BW Pro jegens [appellant] kan gelden als een dergelijke nagekomen bate.
5. Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van zijn (wel in aanmerking te nemen) schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw). [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep over de vordering van Santander met ontstaansdatum 1 juli 2013 verklaard dat hij op die datum is opgehouden met betalen voor de onderliggende creditcardschuld. Dit betekent dat ten aanzien van de schulden die nadien zijn ontstaan, zoals die inzake Frame Beheer, RH advies, American Express en Feenstra, [appellant] bij het aangaan van de betalingsverplichtingen die daarop betrekking hebben wist dan wel redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat hij die niet zou kunnen nakomen.
6. Het hof is echter van oordeel dat uit de stukken en ter zitting in hoger beroep voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] inmiddels zowel zijn financiële als zijn persoonlijke situatie onder controle heeft gekregen als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw Pro. [appellant] heeft sinds 1 februari 2018 een voltijds arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden bij het bedrijf Piguillet en verricht daarnaast als zelfstandige werkzaamheden als trainer/coach bij twee hockeyclubs en is daarmee in staat een substantieel bedrag aan de boedel af te dragen. Verder weegt het hof mee dat ook de echtgenote van [appellant] , mevrouw [naam] , sinds 22 maart 2018 tot de WSNP regeling is toegelaten, ook zij een voltijds dienstbetrekking heeft en beide echtelieden inmiddels een bedrag van circa € 30.000,- aan de boedel hebben afgedragen. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] zich zal inspannen om zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen.
7. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

De beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 augustus 2018;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;
- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.D. Ruizeveld, F.R. Salomons en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.