ECLI:NL:GHDHA:2018:3163
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over terugvordering Ziektewetuitkering en hoorplichtschending
Belanghebbende ontving in 2015 een Ziektewetuitkering van het UWV die later werd teruggevorderd wegens onrechtmatige uitkering. De Inspecteur rekende deze uitkering tot het belastbaar inkomen, wat belanghebbende betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat de uitkering als genoten wordt beschouwd op het moment van ontvangst en belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij het bedrag had terugbetaald.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof dit oordeel. De uitkering werd terecht in 2015 belast, aangezien terugbetaling niet had plaatsgevonden en het terugvorderingsbesluit nog niet definitief was. De hoorplicht werd door de Inspecteur geschonden doordat de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar niet aan de gemachtigde werd gezonden, terwijl deze wel vertegenwoordiger was. Dit werd echter niet als nadelig voor belanghebbende beoordeeld, omdat partijen het eens waren over de feiten en de waardering daarvan.
Het hof veroordeelde de Inspecteur tot een proceskostenvergoeding wegens deze schending en wees het beroep deels gegrond op dit punt, maar bevestigde de inhoudelijke uitspraak op bezwaar. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, de uitspraak op bezwaar bevestigd, en proceskosten en griffierecht werden aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht belast in 2015; hoorplichtschending leidt tot proceskostenvergoeding maar geen vernietiging van uitspraak op bezwaar.