ECLI:NL:HR:2019:2004
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing inkomstenbelasting over Ziektewet-uitkering ondanks terugvordering
Belanghebbende ontving in de jaren 2013 tot en met 2015 Ziektewet-uitkeringen, waarvan in 2015 een bedrag van €18.487 werd ontvangen. Het UWV trok deze uitkeringen later terug over de periode van november 2013 tot oktober 2015, waardoor belanghebbende €40.909,88 moest terugbetalen, maar dit in 2015 niet deed.
De Inspecteur nam de ontvangen ZW-uitkeringen in 2015 mee in de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Het Hof oordeelde dat deze uitkeringen in 2015 belastbaar waren als inkomen uit werk en woning, omdat belanghebbende ze toen had ontvangen en niet had aangegeven ze niet te willen behouden. Het Hof verwierp dat het teruggevorderde bedrag als negatieve inkomsten kon worden aangemerkt, omdat er geen bewijs was van terugbetaling en geen sprake was van een rentedragende lening.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat het begrip 'rentedragend geworden' in artikel 3.146 Wet IB 2001 niet ziet op het verschuldigd worden van wettelijke rente wegens vertraging, maar op een vordering die liquide is en rente oplevert. De overige klachten werden niet behandeld omdat ze niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de Ziektewet-uitkering is in 2015 belastbaar en het teruggevorderde bedrag is niet als negatieve inkomsten aan te merken.