Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 april 2018
Nationale-Nederlanden Bank N.V.,
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Door ondertekening verklaart u het volgende:
“2. Begripsbepalingen
- op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;
- op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;
- op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”
- 22 februari 2016: EUR 500,-
- 7 maart 2016: EUR 1000,-
- 16 maart 2016: EUR 400,-
- 13 juli 2016: EUR 250,-
- 28 juli 2016: EUR 250,-
- 15 augustus 2016: EUR 400,-
grieven I tot en met IVen
grief VII, die het oordeel van de voorzieningenrechter vanuit verschillende gezichtspunten bestrijden, kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof licht dat hierna onder 8 tot en met 19 toe.
grief Vdat dit het geval is, omdat voor opneming in het Incidentenregister en opneming in het EVR verschillende toetsingsnormen moeten worden gehanteerd. Volgens Nationale-Nederlanden is voor opneming in het Incidentenregister voldoende dat sprake is van een ‘(mogelijk) incident’ als bedoeld in art. 2 van Pro het PIFI. Daarvan is al sprake, aldus Nationale-Nederlanden, zodra mogelijk sprake is van een mogelijke bedreiging van belangen, veiligheid of integriteit van een instelling of de sector.
Grief Vgaat uit van de opvatting dat voor opneming en handhaving in het Incidentenregister voldoende is dat sprake is van een ‘(mogelijk) incident’. Deze opvatting is, gelet op het voorgaande onjuist, zodat de grief faalt. Met
grief VIbetoogt Nationale-Nederlanden dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de Wbp een zwaardere norm zou behelzen dan het PIFI. Bij deze grief heeft Nationale-Nederlanden geen belang, omdat de voorzieningenrechter in elk geval terecht heeft geoordeeld dat Nationale-Nederlanden de gegevens betreffende [geïntimeerde] moet verwijderen uit het Incidentenregister.
grief VIIIbestrijdt Nationale-Nederlanden dat [geïntimeerde] het voor toewijzing van haar vordering in kort geding vereiste spoedeisend belang heeft. Deze grief faalt. Handhaving van de geregistreerde strafrechtelijke persoonsgegevens betreffende [geïntimeerde], zonder dat daarvoor voldoende grond bestaat, vormt een ernstige inbreuk op het recht op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer. Reeds op die grond heeft zij een spoedeisend belang bij haar vordering.
Grief IXis een zogenoemde ‘veeggrief’, die zelfstandige betekenis mist. Deze grief deelt het lot van de andere grieven.