Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 17 april 2018
3. [naam 2] ,
[naam 3] ,
Het geding
De kantonrechter heeft vervolgens overwogen dat [de V.O.F.] , voor een geslaagd beroep op de Overbruggingsregeling, zal moeten voldoen aan alle in artikel 24, tweede lid, van de Ontslagregeling geformuleerde voorwaarden en dat tussen partijen niet in geschil is dat [de V.O.F.] aan de onder b en c geformuleerde van dit artikellid geformuleerde voorwaarden voldoet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de V.O.F.] echter niet voldaan aan de onder a geformuleerde voorwaarde dat het netto resultaat van de onderneming van [de V.O.F.] over de in dit geval relevante boekjaren 2014 tot en met 2016 kleiner is dan nul. Op grond hiervan heeft de kantonrechter geoordeeld dat [de V.O.F.] geen beroep toekomt op de Overbruggingsregeling.
Zowel [de V.O.F.] als [verweerder] hebben grieven gericht tegen de beschikking van de kantonrechter. Het hof overweegt hierover het volgende.
Het hof verwerpt de grief. Dat [de V.O.F.] de aanvraag van de ontslagvergunning voor [verweerder] opzettelijk heeft uitgesteld tot het jaar 2017, met als doel om het boekjaar 2013 te omzeilen en zo in aanmerking te komen voor toepassing van de Overbruggingsregeling, is door [de V.O.F.] gemotiveerd betwist en heeft [verweerder] niet nader gemotiveerd of concreet met feiten en omstandigheden onderbouwd. Het enkele feit dat [de V.O.F.] de arbeidsovereenkomst met de (enige) collega van [verweerder] reeds heeft beëindigd in het najaar van 2016 door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, is hiervoor onvoldoende. [verweerder] was op dat moment, anders dan zijn collega [de collega] , reeds enige tijd langdurig ziek en verkeerde dus in een andere (rechts)positie. Of [de collega] wel een volledige transitievergoeding heeft gekregen, zoals [verweerder] eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gesteld, is niet komen vast te staan en kan, indien al juist, niet leiden tot de conclusie dat [de V.O.F.] de ontslagaanvraag ten behoeve van [verweerder] opzettelijk heeft uitgesteld tot het jaar 2017. Andere feiten of omstandigheden waaruit het door [verweerder] gestelde opzettelijk uitstellen van de aanvraag van de ontslagvergunning door [de V.O.F.] kan worden afgeleid zijn gesteld noch gebleken. Het hof is dan ook van oordeel dat de kantonrechter terecht is uitgegaan van de beoordeling van het resultaat over de boekjaren 2014 tot en met 2016.
Het hof houdt de behandeling van deze grief aan tot aan de eindbeschikking.
Het hof heeft vastgesteld dat zowel de lagere rechtspraak als de literatuur op dit punt sterk verdeeld is. Bij beschikking van 20 december 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deze vraag ontkennend beantwoord (ECLI:NL:GHARL:2017:11208). Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben beide partijen het hof laten weten dat zij in beginsel positief staan tegen het, indien dit aan de orde komt, stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad op dit punt. Het hof heeft ambtshalve inlichtingen ingewonnen bij de Hoge Raad, waaruit is gebleken dat van voormelde beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden cassatieberoep is ingesteld (zaaknummer C18/01202). Dit betekent dat het stellen van een prejudiciële vraag niet meer in de rede ligt.