Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2019:2454

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 september 2019
Publicatiedatum
16 september 2019
Zaaknummer
200.254.963/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over salarisafspraak medewerker personeelszaken bij Infinitum Curae B.V.

Appellante trad op 4 september 2017 in dienst bij Infinitum Curae B.V. als medewerker personeelszaken voor zeven maanden, met een schriftelijke arbeidsovereenkomst waarin een bruto uurloon van € 13,89 was opgenomen. Appellante stelt echter dat haar voorafgaand mondeling een netto maandsalaris van € 2.000,- was toegezegd door de directeur van Infinitum. Zij baseert dit onder meer op loonstroken van september en oktober 2017.

Infinitum betwist de mondelinge afspraak en stelt dat het loon conform de arbeidsovereenkomst is betaald, waarbij afwijkingen in september en oktober het gevolg zijn van een boekhoudkundige fout. De kantonrechter heeft in eerste aanleg de bewijslevering toegelaten, maar uiteindelijk de vordering van appellante afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Appellante gaat tegen deze beslissing in hoger beroep en verzoekt om nadere bewijslevering. Het hof overweegt dat het geschil zich concentreert op de vraag welk salaris is overeengekomen. Op grond van artikel 150 Rv Pro dient appellante haar stellingen te bewijzen. Het hof besluit appellante toe te laten tot bewijslevering door middel van getuigenverhoor, dat zal plaatsvinden op 5 december 2019. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Appellante wordt toegelaten tot bewijslevering over de salarisafspraak, getuigenverhoor gepland op 5 december 2019, verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.254.963/01
Zaaknummer rechtbank : 6777309 RL EXPL 18-6386

arrest van 24 september 2019

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. N. Ugur te Rotterdam,
tegen
Infinitum Curae B.V.,
gevestigd te Den Haag,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Infinitum,
advocaat: mr. I.M. Veerkamp te Amsterdam.

Het geding

1. Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot dan toe naar het tussenarrest van
30 april 2019 waarbij een comparitie (na aanbrengen) van partijen is gelast. Die comparitie van partijen is op 12 september 2019 gehouden. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.
2. Ter comparitie hebben partijen toelating verzocht tot de second opinion-procedure, waartoe partijen ieder het zogenaamde SO-formulier hebben ingevuld en ondertekend. De raadsheer-commissaris heeft ter comparitie beslist dat het verzoek wordt ingewilligd.
De zaak is verwezen naar de rol voor arrest, dat, met instemming van partijen, wordt gewezen op basis van het voorafgaand aan de comparitie overgelegde dossier.

Beoordeling van het hoger beroep

3. [appellante] is op 4 september 2017 op basis van een gemiddelde werkweek van 36 uur en voor de duur van zeven maanden (tot 4 april 2018) bij Infinitum in dienst getreden in de functie van medewerker personeelszaken. In de door beide partijen getekende en op 5 september 2017 gedateerde arbeidsovereenkomst staat vermeld dat het het [appellante] toekomende salaris
€ 13,89 bruto per uur bedraagt. [appellante] betoogt echter dat haar - voordat zij haar werkzaamheden bij Infinitum begon, dus voor 5 september 2017 - door de directeur van Infinitum mondeling is toegezegd dat zij € 2.000,-- netto per maand zou verdienen, in dat kader verwijst zij ook naar salarisbetalingen met bijbehorende loonstroken over de maanden september en oktober 2017. [appellante] maakt dan ook aanspraak op nabetaling van salaris, gebaseerd op een bedrag van € 2.000,-- netto per maand en heeft daartoe bij de kantonrechter in Den Haag een vordering met nevenvorderingen ingediend. Met betrekking tot de getekende arbeidsovereenkomst betoogt [appellante] nog dat deze geantedateerd is, dat die haar eerst in een gesprek op 10 november 2017 ter tekening is voorgelegd en dat haar toen, in verband met haar fysieke en mentale instabiliteit, niet is opgevallen dat in het arbeidscontract niet het netto salaris van € 2.000,-- was opgenomen.
4. Infinitum heeft de vordering van [appellante] gemotiveerd bestreden. Volgens Infinitum bestaat de afspraak als door [appellante] gesteld niet en heeft [appellante] enkel aanspraak op betaling van salaris gebaseerd op een loon van € 13,89 bruto per gewerkt uur, zoals ook in de door beide partijen op 5 september 2017 getekende arbeidsovereenkomst is weergegeven. Infinitum betoogt dat [appellante] ook dienovereenkomstig is verloond gedurende het totaal van haar dienstverband. Dat er in september en oktober 2017 andere bedragen zijn uitbetaald is, aldus Infinitum, terug te voeren op een fout aan de kant van de boekhouding en bevat geen enkele indicatie voor het gelijk van [appellante].
5. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 10 juli 2018 overeenkomstig art. 150 Rv Pro. [appellante] toegelaten tot bewijs van haar stellingen. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellante] niet geslaagd is in het leveren van het op haar gelegde bewijs en heeft in het verlengde daarvan de vordering van [appellante] afgewezen.
6. [appellante] kan zich met de (eind)beslissing van de kantonrechter niet verenigen en is tegen die beslissing in hoger beroep gekomen. Zij wenst toegelaten te worden tot nadere bewijslevering.
7. Met betrekking tot het voorgaande overweegt het hof het volgende. Het enige punt waarover in deze procedure beslist moet worden is de vraag welk salaris partijen zijn overeengekomen voor de door [appellante] voor Infinitum te verrichten werkzaamheden. De vordering tot nabetaling van achterstallig salaris en de nevenvorderingen hangen alle met (het antwoord op) die vraag samen.
8. [appellante] zal op grond van art. 150 Rv Pro haar stellingen dienen te bewijzen. Eenvoudigweg gezegd houdt bedoeld artikel in dat hij/zij die iets beweert dat door een ander gemotiveerd ontkend wordt, de juistheid van die beweringen moet aantonen/bewijzen. Het gelijk van [appellante] kan uit hetgeen nu in het dossier zit, niet zonder meer worden afgeleid. Met betrekking tot het voorgaande is nog relevant dat [appellante] uitdrukkelijk bewijs heeft aangeboden.
9. Met het oog op het voorgaande zal het hof een getuigenverhoor bepalen waarbij [appellante] feiten en/of omstandigheden dient te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat zij op enig moment met Infinitum is overeengekomen dat het haar toekomende salaris voor de door haar in de periode van 4 september 2017 tot 4 april 2018 voor Infinitum te verrichten werkzaamheden, € 2.000,-- netto per maand zou bedragen.
10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

Het hof:
  • laat [appellante] toe tot het bewijs als hiervoor onder 9. omschreven;
  • bepaalt dat, het getuigenverhoor zal worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. S.R. Mellema, op 5 december 2019 om 11.00 uur;
  • bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden oktober 2019 tot en met januari 2019, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
  • verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, M.M. Olthof en M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.