Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
uitspraak d.d. 24 september 2019
de Heffingsambtenaar van de gemeente [C] , de Heffingsambtenaar,
Procesverloop
Vaststaande feiten
Waardeonderbouwingen
een-kap-woning
een-kap-woning
een-kap-woning
Hof: bedoeld is de onder auspiciën van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ten behoeve van haar leden opgestelde “Taxatiewijzer en kengetallen deel 23, NSW-landgoederen, waardepeildatum 1 januari 2016”, waarvan een publieksversie is te vinden opwww.wozdatacenter.nl, hierna aangeduid als: de Taxatiewijzer NSW] is de WOZ waarde bepaald, rekening houdend met alle correcties zoals de Rijksmonumentale status van het gebouwde en tuin en de instandhoudingslast”.
Hof: bedoeld is de onder auspiciën van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ten behoeve van haar leden opgestelde “Taxatiewijzer en kengetallen deel 23, NSW-landgoederen, waardepeildatum 1 januari 2016”, waarvan een publieksversie is te vinden opwww.wozdatacenter.nl, hierna aangeduid als: de Taxatiewijzer NSW] is de WOZ waarde bepaald, rekening houdend met alle correcties zoals de Rijksmonumentale status van het gebouwde en tuin en de instandhoudingslast”.
rekening houdend met het feitelijk en toegestaan gebruikvan deze objecten. Op basis van deze vergelijking kan aan de moestuinschuur nooit een score van 2 worden gegeven voor Kwaliteit, Uitstraling en Doelmatigheid. De moestuinschuur moet dan voor alle factoren op de laagste score 1 te worden gewaardeerd.
Berekening van de instandhoudingsfactor volgens de Taxatiewijzer NSW
(…)”
Oordeel van de Rechtbank
Moestuinschuur
Geschil, standpunten en conclusies
Beoordeling van het geschil
voorondersteldeinstandhoudingsverplichting; het is dus niet nodig dat de instandhoudingsverplichting daadwerkelijk bestaat en door een derde, bijvoorbeeld de overheid, kan worden afgedwongen. Het Hof wijst er voorts op dat de in artikel 17, lid 5, van de Wet WOZ genoemde instandhoudingsverplichting de op een Nsw-landgoed gelegen woning(en) betreft. Voor een Nsw-landgoed bestaat ook een instandhoudingsverplichting. Met deze verplichting wordt geen rekening gehouden bij de bepaling van de bestemmingswaarde van de op het desbetreffende Nsw-landgoed gelegen woningen(en) (vgl. HR 25 april 2008, nr. 41584, ECLI:NL:HR:2008:BD0436). Tenslotte wijst het Hof erop dat in artikel 17, lid 5, van de Wet WOZ geen gewag wordt gemaakt van een “bezitseis” waarmee, naast of als onderdeel van de instandhoudingsverplichting, rekening zou moeten worden gehouden bij de bepaling van de bestemmingswaarde van een woning op een Nsw-landgoed. Dit laatste is in het onderhavige geschil van belang omdat het geschil, voor zover het de bestemmingswaarde betreft, zich beperkt tot de vraag of de instandhoudingsfactoren op 0,78 (alle woningen) dienen te worden gesteld – zoals de Heffingsambtenaar betoogt – dan wel op 0,74 (woningen 15 en 17) en 0,70 (woning 29) – zoals belanghebbenden bepleiten – en het verschil tussen beide standpunten als oorzaak heeft dat belanghebbenden in hun berekeningen van de bestemmingswaarden van de woningen de door de Heffingsambtenaar in aanmerking genomen instandhoudingsfactoren van 0,78 op grond van de zo-even genoemde “bezitseis” verminderen met 0,0375 en, wat betreft woning 29, daarnaast nog met 0,04 vanwege een verschil in beoordeling van de bouwkundige elementen, alsmede de daarna overblijvende instandhoudingsfactor van 0,7475 respectievelijk 0,7075 naar beneden afronden op 0,74 en 0,70.
(zie onder 7.3.9)
Proceskosten
Beslissing
- vernietigt de uitspraken van de Rechtbank, behoudens voor zover daarin het beroep gegrond wordt verklaard, de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de Heffingsambtenaar wordt opgedragen belanghebbenden het voor het beroep in eerste aanleg betaalde griffierecht te vergoeden;
- wijzigt de beschikking met betrekking tot [E] aldus dat de waarde van de onroerende zaak nader wordt vastgesteld op € 8.500;
- wijzigt de beschikking met betrekking tot [F] aldus dat de waarde van de onroerende zaak nader wordt vastgesteld op € 145.000;
- wijzigt de beschikking met betrekking tot [G] aldus dat de waarde van de onroerende zaak nader wordt vastgesteld op € 125.000;
- wijzigt de beschikking met betrekking tot [H] aldus dat de waarde van de onroerende zaak nader wordt vastgesteld op € 147.000;
- vermindert de aanslagen dienovereenkomstig;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 330, en
- gelast de Heffingsambtenaar aan belanghebbenden een bedrag van € 172 aan griffierecht te vergoeden.