Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 22 augustus 1988 betreffende de hem voor het jaar 1983 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1983 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van f 240.838,--. Na bezwaar werd deze aanslag gehandhaafd, hoewel de winst uit onderneming later met f 15.928,-- werd verlaagd en de aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van zijn dochter werd aangepast naar f 7.200,-- op basis van wettelijke maxima.
Het geschil betrof de vraag of de inspecteur in de bezwaarfase terug mocht komen op een eerder geaccepteerde aftrekpost, die bij de aanslagregeling was onderzocht. Het hof oordeelde dat de inspecteur dit mocht doen, omdat sprake was van een dwaling in de toepassing van het recht en belanghebbende voldoende informatie had verstrekt.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in met het argument dat de inspecteur niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur had mogen handelen door terug te komen op een onderzochte aftrekpost. De Hoge Raad verwierp dit beroep en bevestigde dat binnen het nettobedrag van de aanslag de inspecteur elementen mag wijzigen, tenzij sprake is van toezeggingen of vertrouwen die handhaving rechtvaardigen.
De uitspraak benadrukt het vertrouwensbeginsel en de interne compensatie binnen het formele belastingrecht, waarbij de inspecteur fouten in de aanslagregeling mag corrigeren in de bezwaarprocedure zonder de beginselen van behoorlijk bestuur te schenden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de inspecteur in de bezwaarprocedure elementen van de aanslag mag wijzigen ondanks eerdere toetsing, en verwerpt het cassatieberoep.