ECLI:NL:GHDHA:2019:917
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen machtiging uithuisplaatsing minderjarige
De gecertificeerde instelling is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag die een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige heeft verleend voor de periode van 29 november 2018 tot 4 februari 2019. De moeder, die het gezag over de minderjarige uitoefent, verzet zich tegen het beroep en vraagt om handhaving van de beschikking.
De feiten betreffen een minderjarige die sinds 2014 onder toezicht staat van de gecertificeerde instelling en sinds februari 2018 uit huis is geplaatst in een pleegzorgvoorziening. De moeder heeft volgens de gecertificeerde instelling onvoldoende een stabiele opvoedingssituatie geboden, mede door frequente wisselingen van partners en onvoldoende medewerking aan hulpverlening.
Het hof overweegt dat de gecertificeerde instelling onvoldoende belang heeft bij het hoger beroep voor het reeds toegekende deel van de machtiging, omdat geen wijziging van het dictum wordt beoogd. Voor het deel van de beschikking dat ziet op de periode na 4 februari 2019, waarover de kinderrechter nog niet heeft beslist, is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Het hof wijst het hoger beroep van de gecertificeerde instelling af en verklaart haar niet-ontvankelijk voor het deel dat ziet op de aangehouden behandeling. De beslissing bevestigt de machtiging tot uithuisplaatsing en benadrukt dat een definitief oordeel over het perspectief van de minderjarige pas kan volgen na onderzoek naar een eventuele gezagsbeëindigende maatregel.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep deels niet-ontvankelijk en verwerpt het overige hoger beroep tegen de machtiging uithuisplaatsing.