Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 22 juli 2020
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,
Procesverloop
Vaststaande feiten
Oordeel van de Rechtbank
Beoordeling van het geschil
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende verstrekte een lening aan zijn holding, waarvan hij enig aandeelhouder was. De rente over deze lening werd bijgeschreven, maar belanghebbende waardeerde de rentevordering af omdat deze oninbaar zou zijn. De holding werd in 2013 failliet verklaard. Het Hof oordeelde dat de rentevordering niet oninbaar was omdat deze bij faillissement kon worden verrekend met een rekening-courantschuld van belanghebbende aan de holding. De rekening-courantovereenkomst voorzag in directe verrekening van vorderingen en schulden.
Daarnaast was er een verzuimboete opgelegd vanwege het niet tijdig indienen van de aangifte. Belanghebbende stelde dat er uitstel was verleend dat ten tijde van de aanslag nog liep. De Inspecteur kon echter niet aannemelijk maken dat het uitstel op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze was ingetrokken of verkort. Daarom werd de verzuimboete vernietigd.
Het Hof bevestigde dat de afwaardering van de rentevordering niet terecht was en dat de rechtbank niet in strijd met de goede procesorde had gehandeld door een nieuw standpunt in te brengen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor zover het de verzuimboete betreft en de proceskosten werden aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: Verzuimboete vernietigd wegens onvoldoende bewijs intrekking uitstel; afwaardering rentevordering niet toegestaan wegens verrekening met rekening-courantschuld.