Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 13 oktober 2020
Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat),
Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
a. Op 25 november 2005 heeft op de Hagesteinsebrug, onderdeel van Rijksweg A27, een noodlottig ongeval plaatsgevonden. Deze brug bestaat uit twee brugdelen, elk met rijbanen voor het verkeer. Langs beide delen lopen, zowel aan de binnen- als de buitenzijde, vangrails. Tussen beide brugdelen liggen normaal gesproken roosters, maar deze waren ten tijde van het ongeval op verschillende plaatsen verwijderd in verband met onderhoudswerkzaamheden aan de brug. Er werd gewaarschuwd voor de wegwerkzaamheden. Er stonden geen waarschuwingsborden dat de roosters verwijderd waren. Wel was achter de vangrail een veiligheidsleuning (‘valbeveiliging’) van één meter hoogte aangebracht en waren er verschillende ‘oversteekplaatsen’.
b. De toedracht van het ongeval was als volgt. Op de brug, op het ene brugdeel, reed een vrachtwagencombinatie (trekker met oplegger) richting Utrecht. Het was donker en door sneeuw en hagel was de weg glad. Vermoedelijk door de gladheid is de combinatie geslipt en tegen de middenvangrail gebotst en tot stilstand gekomen. De trekker bevond zich toen tussen beide brugdelen in en de oplegger stond dwars op de rijbaan. Op het andere brugdeel reed een busje in de tegenovergestelde rijrichting. Het busje stopte omdat de twee inzittenden hulp wilden bieden aan de bestuurder van de geschaarde vrachtwagencombinatie. De bestuurder van het busje, [bestuurder] , stapte uit, stak de weg over en klom over de vangrail en de veiligheidsleuning om naar de andere brughelft te gaan. Hij kwam echter terecht in het gat tussen beide brugdelen en viel ruim 15 meter naar beneden in de rivier de Lek. [bestuurder] is daarbij om het leven gekomen. [bestuurder] liet een vrouw en vier kinderen na.
c. De nabestaanden van [bestuurder] hebben in 2007 de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden door het overlijden van [bestuurder] . Zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat de Staat in zijn hoedanigheid van wegbeheerder onrechtmatig jegens [bestuurder] heeft gehandeld door op de brug een gevaarlijke situatie te hebben laten ontstaan. De Staat heeft aansprakelijkheid ontkend.
d. De vrachtwagencombinatie was destijds op de voet van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij een rechtsvoorganger van Achmea. De nabestaanden van [bestuurder] hebben (ook) Achmea aansprakelijk gesteld voor de door het ongeval veroorzaakte schade.
e. Achmea heeft aan de nabestaanden € 100.000,-- ten titel van schadevergoeding uitgekeerd en € 44.455,46 ten titel van buitengerechtelijke kosten. Hiertoe hebben Achmea en de nabestaanden van [bestuurder] op 31 januari 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is verder (onder meer) bepaald:
‘(…)
dat de benadeelden de wegbeheerder zijnde De Staat Der Nederlanden (Rijkswaterstaat) als ook Achmea en haar verzekerde rechtstreeks aansprakelijk hebben gesteld voor de als gevolg van het ongeval door hen geleden en te lijden schade;
dat Achmea zich bereid verklaard heeft op basis van de zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:200 lid 1 BW Pro de door het ongeval veroorzaakte schade voor haar rekening te nemen op voorwaarde dat het recht van verhaal op Rijkswaterstaat (…) aan Achmea wordt overgedragen (…).
(…)
Artikel V
De benadeelden en Achmea zijn van oordeel, dat het ongeval veroorzaakt is doordat de weg of althans het viaduct, waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, gebrekkig was of althans niet voldeed aan de eisen die gelet op artikel 6:174 BW Pro aan de weg in de gegeven omstandigheden gesteld mogen worden en dat de wegbeheerder of althans de aannemer, die ten tijde van het ongeval in opdracht van de wegbeheerder onderhoudswerkzaamheden aan de weg of althans aan de brug waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, uitvoerde, aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval.
De benadeelden dragen tegen ontvangst van de bovengenoemde schadevergoeding onvoorwaardelijk hun rechten op de wegbeheerder of althans op degene die voor het ongeval aansprakelijk kan worden gehouden over aan Achmea, die de rechten onverkort en zonder ruggespraak met benadeelden kan uitoefenen, waarvan hun recht op een vergoeding van immateriële schade als gevolg van het overlijden van hun vader is uitgezonderd.’
- dat voor de Staat voorzienbaar was dat voetgangers van het ene naar het andere brugdeel zouden kunnen oversteken,
- dat met het weghalen van de roosters voor hen een gevaar dat zij tussen de brugdelen door in het water kunnen vallen in het leven is geroepen,
- dat, gelet op de ernst van de gevolgen hiervan, een veiligheidsleuning van slechts één meter hoog die bovendien bestaat uit losse palen verbonden door een bovenpaal en waar dus vrij eenvoudig onderdoor gestapt of overheen geklommen kan worden, een onvoldoende beveiligingsmaatregel is in een situatie waarin niet is gewaarschuwd voor het ontbreken van de roosters, en
- dat, nu de Staat geen extra veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, hij niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht als wegbeheerder en (dus) onrechtmatig heeft gehandeld.
In de toelichting op de grief heeft de Staat het volgende aangevoerd. De valbeveiliging voldeed aan de daaraan te stellen normen en de geldende regelgeving (onder meer NEN 2770). Een dicht hek, zonder boven- en tussenleuning, en/of een hoger hek, zoals volgens de rechtbank van Rijkswaterstaat gevergd had kunnen worden, voldoet niet aan de geldende regelgeving en zou ook niet tot een veiliger situatie hebben geleid. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat waarschuwingsborden of aanwijzingen naar een oversteekplaats aanwezig hadden moeten zijn. Algemeen uitgangspunt is dat langs Rijkswegen zo min mogelijk borden worden geplaatst teneinde verwarring en gevaarlijke situaties te voorkomen. In de onderhavige situatie zou een grote hoeveelheid borden links naast de weg geplaatst hebben moeten worden, wat gezien de daarmee samenhangende gevaren en de geringe kans op een ongeval zeer onwenselijk en niet reëel is. In geen enkele normale omstandigheid is voor een gebruiker van de brug een reden te bedenken om over de dubbele middenvangrail en over de valbeveiliging te klimmen. De Hagesteinsebrug is alleen toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer en voor de aanwezige werklieden was de valbeveiliging afdoende. Gezien het te verwachten gebruik was de kans dat [bestuurder] over de valbeveiliging zou klimmen nihil. Rijkswaterstaat heeft dus voldoende maatregelen genomen om gevaren te voorkomen en niet onrechtmatig gehandeld, aldus de Staat.
Verder geldt dat wanneer een wegbeheerder een weg zodanig inricht dat deze zonder beveiligingsmaatregelen gevaar oplevert voor personen of zaken, hij door deugdelijke beveiligingsmaatregelen, zoals waarschuwingen, ervoor behoort zorg te dragen dat de veiligheid van personen en zaken voldoende gewaarborgd blijft, waarbij mede in aanmerking moet worden genomen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten. Indien deze veiligheid niet voldoende kan worden gewaarborgd, moet wegbeheerder van een zodanige inrichting van de weg afzien (vgl. HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549).
In de toelichting heeft de Staat gesteld dat Rijkswaterstaat er naar objectieve maatstaven geen rekening mee heeft hoeven houden dat een vrachtwagen zou scharen, de cabine van de trekker tussen twee brugdelen in zou komen te hangen en vervolgens een medeweggebruiker zijn auto op de brug zou parkeren om over de dubbele middenvangrail en de valbeveiliging te klimmen. Niet eerder en ook niet ter gelegenheid van het ongeval of nadien, heeft iemand zo gehandeld als [bestuurder] , aldus de Staat. Naar hij stelt, lijkt de rechtbank de onwaarschijnlijkheid dat een weggebruiker zich zo gedraagt niet te hebben meegewogen en zich te hebben beperkt tot de opmerking dat [bestuurder] niet heeft kunnen zien dat de roosters verwijderd waren. De Staat heeft bovendien betwist dat [bestuurder] dit niet heeft kunnen zien. [bestuurder] had kunnen en moeten zien dat achter de middenvangrail en de valbeveiliging zich een zwart gat bevond en geen rooster, zoals zijn bijrijder [bijrijder] volgens diens verklaring ook heeft gezien, aldus de Staat.
In de toelichting heeft de Staat betoogd dat het aan Achmea is om te stellen en te bewijzen dat [bestuurder] is gevallen als gevolg van het onrechtmatig handelen van Rijkswaterstaat. Volgens de Staat staat vast dat de vrachtwagen na de botsing tegen de dubbele middenvangrail nog ongeveer 100 meter is doorgegleden en daarbij de dubbele middenvangrail en de valbeveiliging heeft weggeslagen en/of beschadigd. De Staat heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de redenering van de rechtbank dat het voor de aansprakelijkheid van de Staat niet uitmaakt of [bestuurder] over de valbeveiliging en de dubbele middenvangrail is geklommen omdat deze in ieder geval geen afdoende bescherming bood, rechtens onjuist is. Als [bestuurder] niet over de valbeveiliging heeft hoeven klimmen omdat deze was weggeslagen of beschadigd, ontbreekt immers ieder causaal verband tussen de schade en het aan Rijkswaterstaat verweten onrechtmatig handelen, aldus de Staat. Naar hij verder heeft gesteld, is dan nog moeilijker vol te houden dat de aangebrachte beveiligingsmaatregelen onvoldoende waren.
In de toelichting op de grief heeft de Staat erop gewezen dat [bestuurder] bekend was met de situatie ter plaatse en dus wist, althans heeft moeten weten, dat de Hagesteinse brug uit twee brugdelen bestond. Naar de Staat onder verwijzing naar de verklaring van bijrijder [bijrijder] heeft aangevoerd, was er bovendien al hulp voor de vrachtwagenchauffeur aanwezig. [bestuurder] heeft niettemin en zonder noodzaak aanleiding gezien om over de dubbele middenvangrail en de valbeveiliging te klimmen, terwijl het donker en glad was, zodat zijn handelen in de gegeven omstandigheden in vergaande mate onvoorzichtig en roekeloos is geweest, aldus de Staat. Hij heeft geconcludeerd dat de schade geheel, althans mede een gevolg is van het handelen van [bestuurder] als bedoeld in artikel 6:101 BW Pro.
dezelfdeschade. In dit verband zal het hof tot uitgangspunt nemen (zie r.o. 4 hiervoor) dat de vrachtwagenchauffeur – de verzekerde van Achmea – aansprakelijk is jegens de nabestaanden op grond van zaakwaarneming.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 november 2018;
- veroordeelt de Staat in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Achmea begroot op € 5.382,-- aan verschotten en € 3.061,-- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van algehele voldoening;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.