Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 18 augustus 2020
[appellant] ,
mr. [geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
a. [appellant] heeft op 15 maart 2016 een ‘Inkoopovereenkomst met recht van eerste koop’ gesloten met de Automakelaar Rotterdam B.V. (hierna: de Automakelaar), inhoudend dat hij zijn auto van het merk Mercedes Benz , die hij rond december 2015/januari 2016 had gekocht voor € 40.000,01, aan de Automakelaar verkoopt en levert voor € 8.500,--. In deze overeenkomst is bepaald dat de Automakelaar de auto pas na 12 juni 2016 mag verkopen en dat [appellant] tot die datum de auto kan terugkopen voor een bedrag van € 11.000,--. [appellant] heeft tijdig aan de Automakelaar gemeld dat hij de auto wenste terug te kopen, maar heeft niet tijdig het bedrag van € 11.000,-- betaald. Tussen [appellant] en de Automakelaar is vervolgens een geschil ontstaan.
b. [geïntimeerde] is advocaat. Zij heeft [appellant] (aanvankelijk) bijgestaan in zijn geschil met de Automakelaar. [geïntimeerde] heeft namens [appellant] een kort geding aangespannen tegen de Automakelaar. In dit kort geding heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 29 juli 2016 (hierna: het eerste kortgedingvonnis) de Automakelaar bevolen de auto met sleutels af te geven aan [appellant] en bij de RDW het kenteken op naam van [appellant] te laten registreren op verbeurte van een dwangsom, onder de voorwaarde dat [appellant] uiterlijk op het tijdstip dat de Automakelaar aan deze bevelen heeft voldaan aan de Automakelaar € 9.030,-- heeft betaald.
c. [appellant] was niet in staat dit bedrag aan de Automakelaar te betalen. [geïntimeerde] heeft [appellant] geadviseerd de auto te verkopen en uit de opbrengst de Automakelaar te betalen. [appellant] was daartoe niet bereid.
d. De Automakelaar heeft vervolgens een kort geding tegen [appellant] gevoerd, waarin [geïntimeerde] [appellant] heeft bijstaan. De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 25 oktober 2016 (hierna: het tweede kortgedingvonnis) de tenuitvoerlegging van het eerste kortgedingvonnis geschorst, voor zover het ziet op de veroordeling van de Automakelaar tot levering aan [appellant] van de auto met bescheiden, totdat in de bodemprocedure een eindbeslissing is gegeven over de afgifte van de auto en onder de voorwaarde dat [appellant] binnen vier weken na de vonnisdatum de dagvaarding uitbrengt, en [appellant] veroordeeld tot afgifte van de kentekencard en de tenaamstellingscodes teneinde de auto op naam van de Automakelaar te laten registreren. De voorzieningenrechter heeft aan de veroordeling een dwangsom verbonden van € 250,-- voor iedere dag dat [appellant] daaraan niet voldoet tot een maximum van € 15.000,-- en [appellant] voorts veroordeeld in de proceskosten.
e. [geïntimeerde] heeft [appellant] bij e-mail van 25 oktober 2016 (onder meer) bericht:
g. Bij e-mail van 8 november 2016 heeft [geïntimeerde] [appellant] bericht:
De bodemprocedure hoeft bij nader inzien niet binnen die vier weken te geschieden, het is wel raadzaam die zo snel mogelijk aan te spannen, daarbij is het probleem wel dat u de auto wederom kunt terugvorderen maar u waarschijnlijk nog steeds niet de lening kunt aflossen.
(…) kunt u mij zeggen hoe dat zou moeten, ik kan zaken voor u oplossen middels de rechter maar u zult zelf voor de financiën moeten zorgen.’
Ik hoor nog graag van u wat u wilt dat ik voor u vorder in de bodemprocedure.’
j. Op of na 29 december 2016 heeft [appellant] de tenaamstellingscodes van de auto aan de Automakelaar afgegeven. De Automakelaar heeft de auto verkocht aan een derde voor ongeveer € 28.000,--. Verder heeft de Automakelaar ter zake van door [appellant] ingevolge het tweede kortgedingvonnis verbeurde dwangsommen en de proceskostenveroordeling, onder de werkgever van [appellant] executoriaal derdenbeslag laten leggen op zijn loon en onder de belastingdienst op hetgeen deze aan [appellant] was verschuldigd.
k. De huidige advocaat van [appellant] , mr. Visser, heeft nadien namens [appellant] kort geding tegen de Automakelaar aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 6 juni 2017 (hierna: het derde kortgedingvonnis) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam de Automakelaar verboden om uit hoofde van het tweede kortgedingvonnis meer dan € 7.512,75, vermeerderd met executiekosten voor zover deze van rechtswege verschuldigd zijn, te incasseren op straffe van verbeurte van een dwangsom en bepaald dat dit verbod komt te vervallen indien [appellant] niet binnen vier weken na vonnisdatum een bodemprocedure tegen de Automakelaar aanhangig maakt. Over de verschuldigde dwangsommen heeft de voorzieningenrechter overwogen:
Bovendien heeft [appellant] ook nog niet de € 1.512,75 aan proceskosten betaald die [appellant] uit hoofde van het tweede kort gedingvonnis verschuldigd is aan de Automakelaar. (…)’
1. na te laten in rechte jegens de Automakelaar een beroep op dwaling te doen, althans de overeenkomst met de Automakelaar op die grond te vernietigen;
2. na te laten binnen vier weken nadat het tweede kortgedingvonnis was gewezen een bodemprocedure aanhangig te maken, althans de termijn daarvoor veilig te stellen, en [appellant] te wijzen op de mogelijke consequenties van het niet uitbrengen van een dagvaarding;
3. het tweede kortgedingvonnis onjuist te interpreteren en [appellant] daarover onjuist voor te lichten.
Naar [appellant] heeft gesteld, heeft hij als gevolg van de tekortkoming van [geïntimeerde] schade geleden die hij begroot op € 41.882,94.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering af gewezen.
verschuldigdedwangsommen, dus een bedrag van € 3.000,--, als gevolg van de beroepsfout aan [geïntimeerde] moet worden toegerekend. Voor een andere verdeling van de schade over [geïntimeerde] en [appellant] op grond van artikel 6:101 BW Pro, waarop [geïntimeerde] zich heeft beroepen, ziet het hof geen aanleiding. Nu [geïntimeerde] zelf het tweede kortgedingvonnis onjuist heeft uitgelegd en [appellant] een verkeerde datum waarop hij aan zijn verplichtingen moest voldoen, heeft medegedeeld, kan zonder nadere toelichting niet worden volgehouden dat [appellant] desondanks bekend was met de juiste datum. Daarbij wordt meegewogen dat [geïntimeerde] ook naar aanleiding van de betekening van het tweede kortgedingvonnis (rov. 1.f.) [appellant] niet nader heeft geïnformeerd (rov. 1.h.).
Beslissing
- veroordeelt [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 februari 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- wijst af het anders of meer gevorderde.