ECLI:NL:GHDHA:2020:2810
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- U.E. Tromp
- J.T. Sanders
- W.M.G. Visser
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake BPM-heffing op ingevoerde personenauto’s en geschil over aftrek schade, leeftijdskorting en immateriële schadevergoeding
Belanghebbende, een bedrijf dat 210 personenauto’s uit het buitenland heeft ingevoerd, maakte bezwaar tegen de BPM-heffing waarbij telkens 72% van de getaxeerde schade in mindering werd gebracht. De Inspecteur wees de bezwaren af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde het Hof deze uitspraak.
Het geschil betrof onder meer of de hoorplicht en het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel waren geschonden, of 100% van de schade in aftrek moest komen, recht op leeftijdskorting, vergoeding van rente en immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof oordeelde dat de hoorplicht was nageleefd door het hoorgesprek van 19 februari 2018 en dat het verdedigingsbeginsel niet was geschonden.
De aftrek van 72% van de schade werd als rechtmatig beoordeeld, gebaseerd op gangbare normen in de schadeherstelbranche en jurisprudentie. De stelling dat 100% aftrek noodzakelijk zou zijn wegens artikel 110 VWEU Pro werd verworpen. Ook werd geoordeeld dat geen sprake was van te late betaling van BPM die strijdig is met het Unierecht en dat leeftijdskorting niet was aangetoond.
Verder werd een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn met 22 maanden, verdeeld over Inspecteur en rechter. Proceskosten werden deels toegewezen. Het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.