Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 april 2020
Alvast B.V.,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“de kandidaat wenst, in afwachting van verkoop/verhuur/renovatie/sloop of andere ontwikkelingen, een tijdelijk leegstaand pand in –al dan niet gedeelde– bruikleen te verkrijgen, zulks voor onbepaalde tijd tot wederopzegging door hemzelf of bruikleengever, en om niet, om daar tijdelijk verblijf te houden (te wonen).”
grieven 1 en 2komen Alvast en de Gemeente op verschillende gronden op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat er sprake is van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 7:201 BW Pro. Volgens Alvast bedragen de kosten die zij in rekening brengt aan [geïntimeerde] nimmer meer dan de werkelijk te maken kosten. Met
grief 3voeren Alvast en de Gemeente aan dat, als er niet sprake is van een bruikleenovereenkomst, er sprake is van een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 20 augustus 2019;
- veroordeelt Alvast en de Gemeente in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 324,- aan verschotten en € 2.148,- aan salaris advocaat.