Conclusie
en de Gemeentebestond (het hof laat dat in het midden, maar tussen de regels door valt te lezen dat het hof een huurovereenkomst tussen Alvast en [verweerster] aanneemt) en de Gemeente in dat kader een tegenprestatie zou ontvangen. Daar stuit het cassatieberoep van de Gemeente integraal op af.
primaireen verklaring voor recht dat sprake is van een bruikleenovereenkomst, die rechtsgeldig is opgezegd en dus per 6 juni 2019 is geëindigd, met veroordeling van [verweerster] tot ontruiming van de woning en tot betaling aan Alvast van de vergoeding als bedoeld in de dienstverleningsovereenkomst van € 150,- per maand tot het moment van ontruiming;
subsidiaireen verklaring voor recht dat er een huurovereenkomst heeft bestaan voor korte duur en dat [verweerster] daarom op grond van art. 7:232 lid 2 BW Pro geen huurbescherming toekomt, met veroordeling van [verweerster] tot ontruiming en tot betaling aan Alvast van de vergoeding als bedoeld in de dienstverleningsovereenkomst van € 150,- per maand tot het moment van ontruiming.
Beoordeling van het hoger beroep
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 2 t/m 5richten motiveringsklachten, althans (deels) rechtsklachten dat in strijd met art. 24 Rv Pro het verweer van [verweerster] is aangevuld, tegen rov. 21, waarin het hof op grond van vier bijzondere omstandigheden het standpunt verwerpt dat het bedrag dat Alvast aan [verweerster] in rekening bracht alleen een vergoeding vormt voor de door Alvast gemaakte beheerskosten.
dat de Gemeentegeen tegenprestatie ontvangt of kan afdwingen van [verweerster] . Het voldoen van een
bedrag aan Alvastkan geen tegenprestatie zijn voor het in gebruik geven van de woning
door de Gemeente.
alleen voor nutsvoorzieningenhoefde te betalen aan een andere leegstandbeheerder waarmee [verweerster] destijds een zogenoemd oppascontract had gesloten. Verder heeft het hof – ook onbestreden in cassatie – vastgesteld dat Alvast en de Gemeente als reactie op de stelling van [verweerster] dat sprake is van een huurovereenkomst omdat zij een vergoeding voor gebruik van de woning betaalde en dat van beheeractiviteiten niet is gebleken, hebben aangevoerd dat die vergoeding verband houdt met beheerskosten zoals acquisitie en onderhoud (zie rov. 11 en vervolgens rov. 12 en rov. 13, hiervoor weergegeven in 1.9-1.11 van deze conclusie).
onderdeel 1het volgende. Dat het hof het onderhoud dat Alvast en de Gemeente onder de vergoeding scharen aanmerkt als “ten behoeve van de eigenaar” of “eigenaarsonderhoud” (bijzondere omstandigheid (iv) uit rov. 21) is hier in mijn ogen nog wel te volgen, al verdient die kwalificatie geen schoonheidsprijs. Als Alvast vanaf 21 april 2011 kosten berekent aan [verweerster] voor de coördinatie van het onderhoud – door derden gepleegd voor onder meer de Gemeente, komt die vergoeding immers indirect ten goede aan de Gemeente als eigenaar van de woning. Die coördinatiekosten
kunnenzo bezien nog wel worden gezien als in afgeleide zin verband houdend met de eigendom van de zaak. Het enkele feit dat dit ook anders kan worden uitgelegd, ook als die uitleg meer voor de hand zou liggen, kan gezien de beperkte toetsing van dit feitelijke hofoordeel niet tot cassatie leiden [11] . Zelfs als deze klacht op zichzelf inhoudelijk doel zou treffen, ontvalt evenwel slechts één van de vier door het hof genoemde bijzondere omstandigheden uit rov. 21 op grond waarvan het hof feitelijk oordeelt dat geen sprake is van een loutere beheersvergoeding, maar van meer en dus (deels) van een tegenprestatie voor gebruik en dus van huur. De overige drie door het hof als bijzonder aangemerkte omstandigheden (te weten (i) het na 3,5 jaar opeens een extra maandbedrag gaan betalen terwijl de situatie dezelfde bleef en er geen kenbare extra diensten tegenover stonden (waarbij een aparte VvE groot onderhoud heeft verricht), (ii) dit meer dan een louter symbolisch bedrag betreft en (iii) Alvast geen acquisitie hoefde te plegen omdat [verweerster] in de al door haar gebruikte woning bleef zitten) zijn volgens mij daarvoor van voldoende dragend gewicht, zodat de Gemeente dan geen belang heeft bij deze klacht in cassatie.
onderdeel 2, lijkt mij wel degelijk relevant de in rov. 21 onder (i) vermelde omstandigheid dat [verweerster] in de 3,5 jaar vóór 21 april 2011 alleen betaalde voor nutsvoorzieningen en nu opeens extra is gaan betalen, terwijl zij in dezelfde woning verbleef. Dit betreft geen verboden aanvulling in strijd met art. 24 Rv Pro, het valt eenvoudig te constateren (en wordt in rov. 18 en 19 vooropgesteld, waarover ook niet wordt geklaagd in cassatie): eerst voor gebruik van de woning alleen € 175 voor eigen nutsvoorzieningen, vervolgens 3,5 jaar later voor gebruik van dezelfde woning kosten voor eigen nutsvoorzieningen en daarenboven ook een vergoeding van eerst € 125, later € 150 per maand. Het hof mocht deze omstandigheid, die vast stond, meewegen bij zijn oordeel of het verweer van de bewoonster hout snijdt dat zij huurster is, waarvoor beslissend is of hetgeen zij betaalt aan Alvast (deels) is aan te merken als tegenprestatie voor gebruik van de woning. Dat het hof de parallel trekt met de situatie van de voorafgaande 3,5 jaar acht ik, anders dan de vervolgklacht van onderdeel 2, als in het oog springend verschil goed te volgen, zodat die motiveringsklacht in mijn ogen ook geen doel kan treffen. De laatste klacht van onderdeel 2, die vertrekt vanuit de lezing dat het hof er mogelijk van is uitgegaan dat [verweerster] tot 2011 alleen betaalde voor nutsvoorzieningen omdat daarnaast geen relevante diensten werden verricht voor leegstandbeheer en dit in 2011 hetzelfde bleef, mist feitelijke grondslag, omdat deze lezing niet in het hofarrest besloten ligt.
onderdeel 3). Zo’n louter symbolische vergoeding voor gebruik maakt een bruikleenovereenkomst immers nog geen huurovereenkomst [14] , [15] . De Gemeente acht dit een
non sequitur, nu een meer dan symbolisch bedrag niets zegt of er in dit geval sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor de betaalde vergoeding deels is aan te merken als tegenprestatie voor gebruik van de woning. Ik volg dat niet. Als de vergoeding slechts een louter symbolisch bedrag zou zijn, kan meteen al niet gesproken worden van (deels) een tegenprestatie voor gebruik van de woning, zodat dit wel degelijk redengevend kan zijn en in die zin is dit element in de redenering van het hof niet onbegrijpelijk. De klacht wil dit kennelijk trekken in de sleutel van de vraag of de bedongen gebruiksvergoeding meer dan louter symbolisch is, maar dat is hier niet het punt van het hof, zou ik menen. Voor zover de klacht zo gelezen moet worden dat Alvast c.s. gemotiveerd hebben geconcretiseerd voor welke posten de bedongen vergoeding staat en dat had moeten worden gemotiveerd waarom desondanks is geoordeeld dat hier sprake is van deels een tegenprestatie voor gebruik van de woning (zoals het laatste deel van onderdeel 3 lijkt te suggereren), lijkt mij dat aan te sturen op een feitelijke herbeoordeling, die is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en waarvoor geen plaats is in cassatie.
onderdeel 4adiëert bijzondere omstandigheid (iii) uit rov. 21 dat Alvast geen acquisitie hoefde te plegen omdat [verweerster] in de al door haar gebruikte woning is gebleven. Dat argument zou niet gehanteerd zijn door haar in het kader van haar verweer. Deze klacht voldoet niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen, omdat niet met voldoende precisie is aangegeven welke argumentatie daar dan wel aan is ten grondslag gelegd. Overigens ligt een dergelijke bouwsteen in de redenering van het hof bij de boordeling of het verweer hout snijdt dat sprake is van huur nogal voor de hand, als zijdens de Alvast c.s. wordt onderbouwd dat de bedongen vergoeding onder meer staat voor acquisitiekosten en vast staat betrokkene in dezelfde woning is gebleven, zodat in deze zaak geen sprake kan zijn van acquisitie.
onderdeel 5kan niet slagen. Geklaagd wordt opnieuw over bijzondere omstandigheid (iv) en dat komt neer op een herhaling van zetten van onderdeel 1 en ketst af op de bij de bespreking daarvan aangegeven gronden.
rechtsklachtenin de eerste vijf onderdelenzijn gebaseerd op de stelling dat het hof in strijd met art. 24 Rv Pro de rechtsgronden zou hebben aangevuld van het verweer van [verweerster] . Dat lijkt mij niet op te kunnen gaan vanwege het navolgende.
tweede onderdeel,
eerste klacht). In aanvulling op hetgeen daar hiervoor al over is gezegd in 2.5: de Gemeente miskent hiermee dat het hof in rov. 21 onder (i) een vaststaand feit aangeeft als achtergrond voor de bespreking van de betwisting van de Gemeente van het verweer van [verweerster] dat sprake is van huur. De grondslag van het verweer wordt daarmee niet aangevuld. Bovendien heeft [verweerster] aangevoerd dat zij al sinds 2007 in dezelfde woning verbleef (mvg p. 3), dat
deovereenkomst al in 2007 werd aangegaan met een andere beheerder (mvg p. 5 [20] ) en dat destijds wellicht sprake was van bruikleen, maar dat
deovereenkomst “op zijn minst” van karakter is veranderd (mvg p. 5) [21] . Volgens [verweerster] is dit nieuwe karakter huur, omdat zij een vergoeding voor gebruik van de woning betaalde en van beheersactiviteiten niet is gebleken (mvg p. 4). Hier ketst de rechtsklacht op af.
onderdeel 4). Het hof toetst hier de betwisting van de Gemeente van de stelling van [verweerster] dat zij voor gebruik van de woning betaalde en haar van beheersactiviteiten niet of nauwelijks is gebleken (mvg p. 4). In het kader van die betwisting stelt de Gemeente dat onder andere werd betaald voor acquisitie (mva 19, 21, 22). Het hof vult dus niet het verweer van [verweerster] aan, maar toetst de stelling van de Gemeente, mede aan de hand van het door [verweerster] (mvg p. 3) en de Gemeente (mva 5) gestelde feit dat [verweerster] al sinds 2007 in dezelfde woning verbleef. Overigens heeft [verweerster] ook gesteld dat geen sprake is geweest van acquisitie (akte uitlating producties van 18 augustus 2020 p. 2 onder het kopje ‘Ad productie 12’). Hiermee valt het doek voor deze rechtsklacht.
vijfde onderdeel). Ook dit is geen aanvulling van het verweer van [verweerster] . In het kader van haar betwisting stelt de Gemeente dat werd betaald voor onderhoud, waaronder het “coördineren van onderhoud door derden voor eigenaar en bruiklener” (mva 19 en mva prod. 16). Deze stelling van de Gemeente toetst het hof, zodat ook deze rechtsklacht niet tot cassatie kan leiden.
zesde onderdeel.
eerste klachtis dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden als het heeft bedoeld dat de vergoeding een tegenprestatie van [verweerster]
aan de Gemeentevormt voor het ter beschikking stellen van de woning, zodat er om die reden sprake is van een huurovereenkomst tussen [verweerster]
en de Gemeente. Het hof had namelijk moeten uitgaan van het niet met grieven bestreden oordeel van de rechtbank (rov. 4.3-4.4) dat de Gemeente van [verweerster] geen tegenprestatie ontvangt.
tweede klachtis dat het onbegrijpelijk is als het hof toch een grief tegen dit oordeel in de memorie van grieven heeft gelezen.
derde klachtis dat het hof uitgaande van het verweer van Alvast c.s. dat de Gemeente als eigenaar van de woning geen tegenprestatie van [verweerster] ontvangt voor de ter beschikking gestelde woning, omdat de bedongen maandelijkse vergoeding voor Alvast is en niet voor de Gemeente, die deze vergoeding ook niet kan afdwingen, van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven over het begrip “tegenprestatie” in art. 7:201 lid 1 BW Pro. Althans, zo vervolgt onderdeel 6, is het oordeel dat [verweerster] een dergelijke tegenprestatie heeft voldaan onvoldoende gemotiveerd. Het periodiek voldoen van een bedrag aan een partij (hier: Alvast), op grond van een overeenkomst met die partij, vormt immers in beginsel geen tegenprestatie voor het door een andere partij (hier: de Gemeente) in gebruik verstrekken van een aan haar toebehorende zaak of een gedeelde daarvan.
de Gemeenteeen tegenprestatie van [verweerster] ontvangt voor het ter beschikking stellen van de woning en evenmin dat [verweerster] daarover zou hebben gegriefd. In rov. 21 oordeelt het hof over de vergoeding die [verweerster] aan Alvast betaalde uit hoofde van de dienstverleningsovereenkomst (zie ook rov. 17: “De kern van het geschil gaat over de vraag of in de vergoeding,
die [verweerster] aan Alvast betaalde[…]” cursivering toegevoegd). Omdat die vergoeding (deels) als tegenprestatie voor het gebruik van de woning moet worden beschouwd (in de zin van art. 7:201 lid 1 BW Pro), is sprake van een huurovereenkomst, aldus het hof. Dit betekent
nietdat het hof oordeelt
dat de Gemeenteeen huurovereenkomst met [verweerster] is aangegaan in het kader waarvan de Gemeente een tegensprestatie zou hebben bedongen of ontvangen. Het hof laat in het midden met welke partij [verweerster] precies een huurverhouding had. Weliswaar oordeelt het hof in rov. 19 dat [verweerster] de woning gebruikt op basis van de dienstverleningsovereenkomst én de bruikleenovereenkomst met Alvast respectievelijk de Gemeente (zie de aanduiding: Alvast c.s.), maar vervolgens kijkt het hof alleen nog naar de dienstverleningsovereenkomst gesloten tussen Alvast en [verweerster] (zie ook consequent de aanduiding ‘Alvast’, zonder c.s.). Dit is de overeenkomst op basis waarvan [verweerster] de vergoeding is verschuldigd en in welke overeenkomst Alvast niet handelde als gevolmachtigde (of in opdracht) van de Gemeente, maar
pro se.Dat het hof zich hierop concentreert is in het licht van het op de relatie met Alvast geconcentreerde verweer van [verweerster] ook te begrijpen. Toerekening aan de Gemeente lijkt mij hier niet aan de orde [22] . Anders dan de Gemeente lijkt te veronderstellen, is voor de totstandkoming of geldigheid van een huurovereenkomst niet nodig dat Alvast bevoegd was de woning te verhuren. Anders gezegd, de huurovereenkomst verplicht de verhuurder tot het in gebruik geven van een zaak (art. 7:203 BW Pro), maar haar totstandkoming of geldigheid wordt op zichzelf niet verhinderd door de omstandigheid dat de verhuurder die prestatie niet kan verrichten [23] . U kunt eens anders woning verhuren, alleen daar doorgaans niet het huurgenot van verschaffen. Van onbegrijpelijkheid is hier evenmin sprake. Hier ketst onderdeel 6 integraal op af.
tussen Alvast en [verweerster]de Gemeente als eigenaar van de woning regardeert [24] . Het antwoord op die vraag lijkt er voor onze zaak praktisch gezien niet veel meer toe te doen, omdat de woning inmiddels is ontruimd (rov. 3 van het bestreden arrest en uitgebreider mva 9). Het is bovendien in deze cassatieprocedure niet aan de orde gesteld.