Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 21 april 2020
geïntimeerde, tevens appellante in incidenteel appel,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- de man te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis zijn medewerking te (blijven) verlenen aan de spoedige verkoop van de woning, volledig mee te werken aan alle door de makelaar geadviseerde handelingen om de woning verkoopklaar te maken, waaronder het opgeruimd hebben en houden van de woning bij bezichtigingen, waarbij de woning te koop gezet wordt voor een vraagprijs van € 549.000,- en de man akkoord dient te gaan met verkoop bij een laatprijs van € 505.000,-, welke laatprijs zo nodig op advies van de makelaar zal worden aangepast, waarbij ieder de helft van de kosten van de verkoop draagt;
- de man te veroordelen om maandelijks een gebruiksvergoeding te voldoen aan de vrouw van € 750,- met ingang van 1 april 2016, althans een zodanige gebruiksvergoeding en ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- de verdeling vast te stellen van de overwaarde van de woning, aldus dat de man en de vrouw de opbrengst gelijkelijk delen, althans een zodanige verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- de man te veroordelen om binnen een week na betekening van het vonnis over te gaan tot afgifte van de zaken genoemd in de inleidende dagvaarding, nr. 4, een en ander op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag dat de man daarmee in gebreke blijft;
- met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
- de vrouw te veroordelen om maandelijks bij te dragen met een bedrag van € 173,82 aan de woonlasten vanaf 1 april 2016 tot aan de notariële levering van de woning aan derden en met een bedrag van € 500,- aan de onderhoudskosten vanaf 1 september 2012, althans een zodanig bedrag met een zodanige ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- te bepalen dat uit de verkoopopbrengst van de woning aan de man een bedrag zal toekomen van € 173.254,-;
- te bepalen dat ieder der partijen de helft van de kosten verbonden aan de verkoop en levering van de woning draagt en dat ieder gerechtigd is tot de helft van de resterende overwaarde;
- met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in conventie en reconventie.
- veroordeelt de man om mee te werken aan de verkoop van de woning, waaronder wordt verstaan het verlenen van medewerking aan alle door de makelaar geadviseerde handelingen om de woning verkoopklaar te maken, waaronder het opgeruimd hebben en houden van de woning bij bezichtigingen, waarbij de woning te koop gezet wordt voor een vraagprijs van € 570.000,- of op advies van de makelaar voor een hogere of lagere vraagprijs, en veroordeelt de man om mee te werken aan verkoop tegen een door de makelaar geadviseerde laatprijs;
- veroordeelt de man om, na verkoop van de woning, over te gaan tot afgifte van de in rov. 5.2 van het vonnis genoemde zaken, met dien verstande dat de man de mogelijkheid behoudt om de fotoboeken op zijn verzoek in te zien;
- stelt vast dat partijen ieder aanspraak maken op de helft van de overwaarde van de woning, waarbij de overwaarde van de woning wordt berekend door de verkoopopbrengst van de woning te verminderen met de hypotheekschuld, en dat de kosten die verbonden zijn aan de verkoop en levering van de woning, waaronder de kosten voor het funderingsonderzoek, gedeeld dienen te worden;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- wijst het meer of anders gevorderde af.
- te bepalen dat uit de verkoopopbrengst van de woning, zijnde de verkoopprijs verminderd met de hypotheekschuld en de kosten van de makelaar, aan de man een bedrag zal toekomen van € 173.254,- althans een bedrag als het hof juist en rechtvaardig acht, en dat ieder van partijen, na voldoening aan de man van
- te bepalen dat de laatprijs van de woning wordt bepaald door partijen;
- de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in eerste en tweede aanleg;
- te bepalen dat de vrouw de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest zal hebben betaald.
in principaal appel
in incidenteel appel
- de man te voordelen om maandelijks een gebruiksvergoeding te voldoen aan de vrouw van € 657,07 met ingang van 1 april 2016, althans een zodanige gebruiksvergoeding met ingang van een zodanige datum voor de verschuldigdheid daarvan als het hof in goede justitie vermeent te behoren;
- de man te veroordelen om mee te werken aan de verkoop van de woning, waaronder tevens wordt verstaan het aanstellen van een opvolgend makelaar en het verlenen van medewerking aan alle door de makelaar geadviseerde handelingen om de woning verkoopklaar te maken, waaronder het opgeruimd hebben en houden van de woning bij bezichtigingen, waarbij de woning te koop gezet wordt voor een vraagprijs van € 485.000,- en met veroordeling van de man om mee te werken aan verkoop voor een laatprijs van € 450.000,-, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of een gedeelte daarvan dat de man geheel of ten dele in gebreke mocht blijven aan het in dezen te wijzen arrest, en met bepaling dat, indien de man aldus gedurende tien dagen geheel of ten dele in gebreke mocht blijven aan het in deze te wijzen arrest te voldoen, de vrouw door het hof wordt gemachtigd tot het te gelde maken van de woning in die zin dat de woning te koop wordt gezet voor een vraagprijs van € 485.000,- en mag worden verkocht voor een laatprijs van € 450.000,-, met bepaling dat de handelingen van de vrouw ter zake worden toegerekend aan de vrouw en de man gezamenlijk en dus de vrouw (mede) als vertegenwoordiger van de man wordt aangemerkt;
- de man te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg;
eerste griefkeert de man zich tegen de beslissing van de rechtbank dat partijen ieder aanspraak maken op de helft van de bij verkoop te realiseren overwaarde van de woning, waarbij geen rekening wordt gehouden met een door de man gestelde totaalbedrag van € 173.254,- aan investeringen uit eigen middelen ter gelegenheid van de aanschaf van de woning in 1996 (€ 74.874,-) en de verbouwing daarvan in 1997-1998 (€ 98.380,-). De man voert aan dat hij met privévermogen, afkomstig uit de overwaarde van de verkoop van zijn appartement en uit de nalatenschap van zijn vader, heeft geïnvesteerd in de woning terwijl de vrouw dat niet heeft gedaan met uitzondering van de aanschaf van meubels (MvG, nr. 12-16). Volgens de man dient uit de overwaarde bij verkoop van de woning eerst een bedrag van € 173.254,- aan hem te worden uitgekeerd, waarna de resterende overwaarde – verminderd met de hypotheekschuld en de kosten van de makelaar – tussen partijen bij helfte verdeeld dient te worden. Dat partijen de bedoeling zouden hebben gehad de investeringen in de woning uit het privévermogen van de man niet te verrekenen of dat de vrouw zulks redelijkerwijs mocht verwachten of daarop mocht vertrouwen, volgt volgens de man niet uit de taakverdeling tijdens de samenleving van partijen en evenmin uit de eigendomsverkrijging van de woning op naam van beide partijen (MvG, nr. 17-18).
tweede griefkomt de man op tegen de beslissing van de rechtbank dat de man dient mee te werken aan verkoop van de woning tegen een door de makelaar geadviseerde laatprijs. De man betoogt dat de rechtbank de makelaar een vrijbrief geeft voor het bepalen van de laatprijs, terwijl een makelaar een eigen belang kan hebben om de woning zo spoedig mogelijk te verkopen, hetgeen voor de makelaar van partijen – de heer [volgt naam] – te meer geldt aangezien hij sinds 2016 is betrokken bij het verkoopproces en tot op heden nog geen vergoeding heeft ontvangen. Verder wijst de man erop dat makelaar [volgt naam] bij e-mailbericht van 27 februari 2019 partijen heeft laten weten dat hij niet langer de partij kan zijn die een finale klap op de verkoopprijs kan geven, gezien de lange voorgeschiedenis en de vele discussies over de waarde van en eerdere biedingen op de woning. De man is van mening dat de laatprijs van de woning niet door een makelaar moet worden vastgesteld, maar door partijen samen.
eerste griefbetoogt de vrouw dat de rechtbank in rov. 2.2 ten onrechte heeft overwogen dat de – door de man betaalde – maandelijkse lasten ter zake van de hypothecaire geldlening € 276,05 bedragen. De vrouw stelt dat deze maandelijkse lasten met ingang van 1 mei 2018 slechts € 135,37 bedragen.
tweede griefkomt de vrouw op tegen rov. 4.3 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank ten aanzien van de verkoop- en laatprijs van de woning het volgende heeft overwogen. Gelet op het advies van de makelaar ligt het in de rede om de vraagprijs thans niet aan te passen maar een eventueel nader onderzoek naar de fundering af te wachten waarna de makelaar duidelijkheid kan verschaffen over de redelijkheid van de huidige vraagprijs en in het verlengde daarvan de laatprijs. De vraagprijs wordt thans gehandhaafd op € 570.000,- en zal eventueel op advies van de makelaar worden verhoogd of verlaagd, onder andere indien het resultaat van een eventueel nader onderzoek naar de fundering daartoe aanleiding geeft, aldus de rechtbank.
derde griefvan de vrouw strekt ertoe dat het hof aan de veroordeling van de man om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, zoals omschreven in nr. 2 van het petitum, een dwangsom verbindt van € 1.000,- per dag of een gedeelte daarvan dat de man geheel of ten dele in gebreke mocht blijven aan het in dezen te wijzen arrest te voldoen.
vierde grief(per abuis aangeduid als grief 3) keert de vrouw zich tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vordering om de man te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 750,- per maand. De rechtbank heeft in rov. 4.9 voorop gesteld dat de vrouw in beginsel recht heeft op een gebruiksvergoeding, maar deze niet zal opleggen omdat de man alle woonlasten en kosten van de woning draagt. De vrouw zou, als mede-eigenaar van de woning, gehouden kunnen worden in deze lasten en kosten bij te dragen. Nu de man de lasten draagt, wordt de vrouw financieel tegemoet gekomen door de man, aldus de rechtbank. In appel vordert de vrouw dat de man alsnog wordt veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 657,07 per maand met ingang van 1 april 2016, althans een zodanige gebruiksvergoeding met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren.