Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 mei 2020
Panasia Europe B.V.,
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
‘Panasia Europe, a private company with limited liability, registered and with offices at [adres], legally represented for the present purposes by its Director Mr. [geïntimeerde]’anderzijds, voor de functie van [functienaam 3]. [geïntimeerde] ontving vanaf 1 maart 2012 naast zijn Koreaanse salaris ook een salaris van € 4.500,-- bruto per maand op basis van zijn Nederlandse arbeidsovereenkomst.
“As I said to you on the line, I send you ‘Settlement of Expenditure’ modified. (…) You can fill out in detail the date and description without attachment of a receipt.”
[geïntimeerde] heeft – voor alle weren – bij incidentele vordering de verwijzing van de zaak door de rechtbank naar de kantonrechter gevorderd, aangezien sprake is van een aardvordering als bedoeld in artikel 93 onder Pro c Rv. Panasia Europe B.V. heeft, aldus [geïntimeerde], immers aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] uit hoofde van zijn dienstbetrekking gelden heeft verduisterd. Bij vonnis in incident van 24 mei 2017 heeft de rechtbank de incidentele vordering afgewezen, overwegende dat – nu [geïntimeerde] een bestuurder is – zich hier de uitzondering van artikel 2:241 BW Pro voordoet. [geïntimeerde] werd veroordeeld in de kosten van het incident.
Beslissing
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank van 24 mei 2017 in het incident voor zover [geïntimeerde] daarbij is veroordeeld in de kosten van het incident, en
- vernietigt het tussen partijen in conventie gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2018, voor zover daarbij de vorderingen van Panasia Europe B.V. volledig zijn afgewezen, en
- vernietigt het tussen partijen in reconventie gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2018, voor zover daarbij de vorderingen van [geïntimeerde] volledig zijn afgewezen en voor zover [geïntimeerde] is veroordeeld in de proceskosten,
in zoverre opnieuw rechtdoende in conventie:
- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Panasia Europe B.V. van een bedrag van € 2.325,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bekrachtigt het vonnis in conventie voor het overige;
in zoverre opnieuw rechtdoende in het incident c.q. in reconventie:
- veroordeelt Panasia Europe B.V. tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van het bedrag van € 894,- dat [geïntimeerde] ingevolge het vonnis in het incident aan Panasia Europe B.V. onverschuldigd heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de betaling door [geïntimeerde] tot aan de dag der terugbetaling door Panasia Europe B.V.;
- compenseert de proceskosten in reconventie, in die zin dat elke partij zijn/haar eigen kosten draagt;
- bekrachtigt het vonnis in reconventie voor het overige;
voorts:
- veroordeelt Panasia Europe B.V. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden in het principaal hoger beroep begroot op € 726,-- aan griffierecht en € 9.483,-- aan salaris advocaat (3 punt tarief V), en in het incidenteel hoger beroep begroot op € 3.428,25 aan salaris advocaat (50% x 3½ punt tarief IV) en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;