Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
[verzoeker],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(a) Op 1 oktober 2002 heeft [verzoeker] een lening bij Rabobank afgesloten voor een bedrag van € 70.500,-- en op 12 mei 2004 een hypothecair krediet van € 12.000,--. Tot zekerheid van betaling is een eerste recht van hypotheek gevestigd op de woning van [verzoeker] aan de [adres] te [plaats].
(b) In verband met betalingsachterstanden heeft Rabobank in augustus 2010 in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: het CKI) van het Bureau Krediet Registratie (hierna: het BKR) op naam van [verzoeker] een achterstandsmelding (code A) laten registreren. In juli 2011 was er een betalingsachterstand van € 10.198,84.
(c) In 2011 heeft de Vereniging van Eigenaren (hierna: VvE) executoriaal beslag gelegd opde woning van [verzoeker]. Rabobank heeft de executie van de VvE overgenomen. Op 8 februari 2012 is de woning executoriaal verkocht voor een bedrag van € 72.500,--. De restvordering bedroeg volgens opgave van Rabobank € 66.541,80. Op verzoek van Rabobank is in het CKI van het BKR in 2012 een bijzonderheidscode 2 vermeld. Dit wil zeggen dat de (restant)vordering geheel opeisbaar is geworden.
(d) Het incassobedrijf GGN Mastering Credit (hierna: GGN) heeft op 10 december 2014, 29 december 2014 en 27 maart 2015 namens Rabobank schriftelijke sommaties gestuurd aan [verzoeker]. In de brieven van 10 december 2014 en 29 december 2014 heeft GGN medegedeeld dat haar klant Rabobank de incasso van de vordering op [verzoeker] aan haar ter hand heeft gesteld.
(e) Bij brieven van 27 februari 2015 en 29 april 2015 heeft [verzoeker] GGN medegedeeld dat hij Rabobank niets verschuldigd is.
(f) [verzoeker] heeft Rabobank bij brief van 4 april 2017 verzocht om aan het BKR door te gevendat 9 februari 2017 de einddatum van de restvordering is. Verder heeft [verzoeker] Rabobank verzocht de BKR-registratie te verwijderen.
(g) Rabobank heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven.
primairRabobank te verplichten om binnen 7 dagen na dagtekening van de beschikking alseinddatum van de registratie 9 februari 2012 aan het BKR door te geven, en de gehele registratie (inclusief codes) te verwijderen, op straffe van een dwangsom, en
een billijke schadevergoeding vast te stellen;
subsidiairRabobank de verplichting op te leggen om binnen 7 dagen na dagtekening van de beschikking als einddatum van de registratie de datum van de verjaring van de vordering aan te houden en deze aan het BKR door te geven, zijnde 9 februari 2017, alsmede om deze gehele registratie (inclusief codes) daarna direct te verwijderen.
[verzoeker] heeft aan dit verzoek, dat is gebaseerd op de artikelen 36 lid 1 en 46 lid 1 en 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp), onder meer ten grondslag gelegd dat de (restant)vordering op 9 februari 2017 was verjaard nu deze vordering op 8 februari 2012 opeisbaar is geworden en de verjaring niet rechtsgeldig is gestuit. Hij heeft verder gesteld dat Rabobank door het laten voortduren van de BKR-registratie en de weigering deze te verwijderen onrechtmatig handelt.
Bij beschikking van 22 december 2017 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.
‘20. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de verjaring van de vordering van Rabobank tot, kort gezegd, betaling van de opeisbare (restant)schuld rechtsgeldig is gestuit. Hetgeen [verzoeker] in het beroepschrift en de pleitnota heeft aangevoerd werpt geen ander licht op dit geschilpunt. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat bij de beoordeling of de mededeling aan de in artikel 3:317 lid 1 BW Pro gestelde eisen voldoet niet alleen gelet dient te worden op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en de overige omstandigheden van het geval. (ECLI:NL:HR:2018:111, met verwijzing naar ECLI:NL:HR:2009:BI8502). De stelling van [verzoeker] dat in de stuitingsbrief duidelijk moet worden vermeld dat ook na het verstrijken van de verjaringstermijn het recht op nakoming wordt voorbehouden, vindt geen steun in de genoemde jurisprudentie. Voldoende is dat de mededeling waarin de schuldeiser zich het recht op nakoming voorbehoudt
de strekking(curs. hof) heeft van een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar, zodat deze rekening kan houden met het instellen van een vordering. Bij de beoordeling of aan deze eis is voldaan, moet niet alleen worden gelet op de formulering, maar ook op de context van de mededeling en de overige omstandigheden van het geval. In dat licht zijn de brieven, waarin [verzoeker] wordt aangemaand om de restschuld te voldoen, een voldoende duidelijke mededeling dat Rabobank nog steeds nakoming van haar vordering wenst. Het hof merkt tot slot nog op dat ook als [verzoeker] gevolgd wordt in zijn stelling dat hij de brief van 29 december 2014 niet heeft ontvangen (hetgeen door Rabobank wordt betwist) de vordering niet is verjaard. De brieven van GGN Mastering Credit van 10 december 2014 en 27 maart 2015 heeft [verzoeker] blijkens zijn brieven van 27 februari 2015 en 29 april 2015, waarin hij op die brieven reageert, wel ontvangen en deze hebben de verjaring afdoende gestuit. Anders dan [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd is Rabobank niet verplicht om een volmacht over te leggen waaruit blijkt dat GGN Mastering Credit bevoegd is om namens Rabobank brieven aan [verzoeker] te sturen, nu in de brief van 10 december 2014 (en in die van 29 december 2014) door GGN Mastering Credit is aangegeven dat haar klant Rabobank de vordering aan haar (ter inning) overhandigde.’
Naar hij stelt, dient een partij altijd een verstrekte volmacht over te kunnen leggen als daar door een derde naar wordt gevraagd. [verzoeker] heeft meermalen aan GGN verzocht om een afschrift van de door Rabobank verleende volmacht, dan wel van de overeenkomst waarbij Rabobank aan GGN opdracht heeft gegeven tot incasso van de vordering op [verzoeker] over te gaan. GGN heeft niet aan dat verzoek voldaan; zij heeft alleen verwezen naar algemene voorwaarden die op de overeenkomst tussen haar en Rabobank van toepassing zijn. Bij brief aan GGN van 7 juli 2019 heeft [verzoeker] verzocht om een afschrift van een document waaruit blijkt (i) wie namens Rabobank aan GGN opdracht heeft gegeven tot incasso van de vordering op hem en (ii) dat die persoon bevoegd was deze opdracht te geven. [verzoeker] heeft daarbij aangegeven dat als hij niet binnen 15 dagen – dat is uiterlijk 23 juli 2019 – deze informatie ontvangt, daarmee wordt vastgesteld dat GGN niet over een volmacht beschikte en dat GGN [verzoeker] in dat geval onbevoegd heeft aangeschreven. Nu GGN (wederom) niet heeft gereageerd op zijn brief, is op 23 juli 2019 vast komen te staan dat GGN niet over een geldige volmacht beschikte, aldus [verzoeker].
Hij stelt verder dat, nu GGN niet bevoegd was jegens [verzoeker] incassomaatregelen te treffen, de brieven van 10 december 2014 en 27 maart 2015 dan ook niet als stuitingshandelingen kunnen kwalificeren. Daarmee staat volgens [verzoeker] vast dat de (rest)vordering op 9 februari 2017 is verjaard. Naar hij stelt, blijkt bovendien uit de algemene voorwaarden van GGN dat zij niet bevoegd is om sommaties te sturen, laat staan om verjaringen te stuiten. Ook om die reden kunnen volgens [verzoeker] de brieven van 10 december 2014 en 27 maart 2015 niet als stuitingshandelingen kwalificeren. Hij voert aan dat, nu Rabobank zich op de stuitingsbrieven heeft beroepen, terwijl zij wist dat GGN onbevoegd was deze brieven te versturen, zij opzettelijk relevante informatie voor het hof heeft verzwegen, dan wel onwaarheden aan het hof heeft verkondigd. Daarmee is sprake van bedrog als bedoeld in artikel 382 onder Pro a Rv, aldus [verzoeker]. Hieruit volgt naar [verzoeker] stelt tevens dat hij na de beschikking van 10 juli 2018, te weten op 23 juli 2019, stukken in handen heeft gekregen waaruit blijkt dat Rabobank geen rechtsgeldige volmacht aan GGN heeft verstrekt. Daarmee is volgens hem sprake van het achterhouden van stukken van beslissende aard door Rabobank als bedoeld in artikel 382 onder Pro c Rv. Op deze gronden dient de – onjuiste – beschikking van het hof van 10 juli 2018 te worden herroepen, aldus [verzoeker].
a. deze berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,
b. deze berust op stukken, waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of
c. de partij na de beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
Een verzoek tot herroeping van een beschikking moet worden gebracht voor de rechter die in hoogste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld (artikel 391 jo Pro. artikel 384 lid 1 Rv Pro). Dit verzoek moet worden gedaan binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de verzoeker daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 391 jo Pro. artikel 383 lid 2 Rv Pro).
Nu ervan moet worden uitgegaan dat GGN gemachtigd was namens Rabobank sommatie- en stuitingsbrieven aan [verzoeker] te sturen, is geen sprake geweest van het door [verzoeker] gestelde bedrog – het verzwijgen van het ontbreken van een volmacht – door Rabobank. Voor zover het verzoek van [verzoeker] op deze herroepingsgrond is gebaseerd, is het ongegrond.
Naar het hof begrijpt, beroept [verzoeker] zich in dit verband op artikel 3:71 lid 1 BW Pro dat bepaalt dat de wederpartij de verklaring van een gevolmachtigde als ongeldig van de hand kan wijzen als zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van die volmacht heeft gevraagd en dit bewijs haar niet onverwijld wordt geleverd. Het bewijs van de volmacht kan op twee manieren worden geleverd, namelijk door een geschrift of door een bevestiging door de volmachtgever. Deze bepaling ziet op de situatie dat
bevoegdnamens de volmachtgever is gehandeld. Het verzoek om bewijs moet terstond worden gedaan, dat wil zeggen: onmiddellijk nadat de rechtshandeling is verricht. Naderhand kan het artikel niet meer worden ingeroepen. Blijkens de parlementaire geschiedenis moet in het geval dat later toch gerede twijfel aan het bestaan van de volmacht ontstaat, de wederpartij zich wenden tot de volmachtgever die naar redelijkheid en billijkheid tot het verschaffen van duidelijkheid zal zijn gehouden (memorie van antwoord II, Parl. Gesch. InvW 3, p. 1188).
Het hof heeft bovendien het feit dat de advocaat van Rabobank bij haar in dienst is onder ogen gezien. Het heeft in zijn beschikking onder 23 overwogen dat het feit dat de advocaat van Rabobank een advocaat in dienstbetrekking is, niet betekent dat er geen aanspraak is op vergoeding van salaris advocaat volgens het liquidatietarief onder verwijzing naar genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.
Beslissing
- verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze herroepingsprocedure, tot op heden aan de zijde van Rabobank begroot op € 741,-- aan verschotten en € 1.086,-- aan salaris advocaat;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.