Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag die de terugkeer van haar kind naar het Verenigd Koninkrijk gelastte op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980.
De moeder betwistte de teruggeleiding en de proceskostenveroordeling, stellende dat er sprake zou zijn van lichamelijk en geestelijk gevaar voor het kind bij terugkeer en dat het kind zich verzet tegen terugkeer. Het hof heeft het beroep van de moeder afgewezen omdat geen ernstige risico's voor het kind zijn aangetoond en het verzet van het kind niet voldoende is om terugkeer te weigeren.
Het hof benadrukte dat het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd en dat de belangenafweging over de uiteindelijke verblijfplaats van het kind in een bodemprocedure moet plaatsvinden. De moeder werd veroordeeld in de proceskosten en de teruggeleiding werd gelast uiterlijk op 18 oktober 2021.