Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[geïntimeerde],
1.Het geding
2.Verdere beoordeling
3.Beslissing
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 november 2017;
- veroordeelt [geïntimeerde] c.s. tot betaling aan [appellant] van € 64.884,89, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 50.000 vanaf 20 juni 2015 en over het meerdere vanaf 21 december 2017;
- veroordeelt [geïntimeerde] c.s. in de proceskosten van de eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 4.908, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest;
- veroordeelt [geïntimeerde] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, met inbegrip van het incident, aan de zijde van [appellant] begroot op € 17.223,11 tot op heden en op € 163 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85 indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de datum van dit arrest dan wel, wat betreft het bedrag van € 85, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van de betreffende termijn van 14 dagen;
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af.